Artikel 145^30, WIB 92

Art. 145^30, derde lid, 3°, is van toepassing op de werken die vanaf 01.01.2011 worden uitgevoerd (art. 80 en 83, W 14.04.2011 - B.S. 06.05.2011; Numac: 2011201824)

Er wordt een belastingvermindering verleend voor de volgende uitgaven die tijdens het belastbare tijdperk werkelijk zijn betaald voor de vernieuwing van een woning gelegen in België waarvan de belastingplichtige eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is en welke hij verhuurt via een sociaal verhuurkantoor.

De vermindering is niet van toepassing voor de uitgaven die:

a) in aanmerking genomen zijn als werkelijke beroepskosten;

b) recht geven op de in artikel 69 bedoelde investeringsaftrek;

c) in aanmerking komen voor de toepassing van de artikelen 104, 8°, 145^24 of 145^25.

De vermindering wordt toegekend onder de volgende voorwaarden:

1° de woning is op het ogenblik van de aanvang van de werken sedert ten minste vijftien jaar in gebruik genomen;

2° de totale kostprijs van de werken, inclusief de belasting over de toegevoegde waarde, bedraagt ten minste 7.500 euro (basisbedrag);

3° de dienstverrichtingen met betrekking tot die werken worden verstrekt en gefactureerd aan de belastingplichtige.

De belastingvermindering wordt toegekend voor een periode van negen opeenvolgende belastbare tijdperken waarin het kadastraal inkomen van de woning is begrepen in de belastbare inkomsten en dit tegen 5 % van de werkelijk gedane uitgaven voor elk van de belastbare tijdperken, met een jaarlijks maximum van 750 euro (basisbedrag), tot zolang de woning onder de vereiste voorwaarden in huur wordt gegeven.

Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt de belastingvermindering proportioneel verdeeld in functie van het gedeelte van elke echtgenoot in het kadastraal inkomen van de woning waarin de werken werden uitgevoerd.

De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de aard van de werken bedoeld in het derde lid, 3°.

Hij zal bij de wetgevende kamers, onmiddellijk indien ze in zitting zijn, zoniet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van de ter uitvoering van het vorige lid genomen besluiten.

De Koning bepaalt tevens de toepassingsmodaliteiten van de vermindering.