Artikel 145^3, WIB 92
Art. 145^3 en opschrift B, is van toepassing op de bijdragen en premies, andere dan die zijn betaald in uitvoering van individuele toezeggingen, die zijn betaald vanaf 01.01.2004 (art. 83, W 28.04.2003 - B.S. 15.05.2003; Numac: 2003022481 - err. B.S. 26.05.2003; inwerkingtreding: art. 23, § 3, A, 3°, KB 14.11.2003 - B.S. 14.11.2003; Numac: 2003023006)
De in artikel 145^1, 1°, vermelde persoonlijke bijdragen en premies komen voor vermindering in aanmerking op voorwaarde dat ze definitief zijn gestort aan een in België gevestigde verzekeringsonderneming of voorzorgsinstelling en dat de wettelijke en extra-wettelijke toekenningen naar aanleiding van de pensionering, uitgedrukt in jaarlijkse renten, niet meer bedragen dan 80 % van de laatste normale bruto-jaarbezoldiging en worden berekend naar de normale duur van een beroepswerkzaamheid. Een indexering van de rente is toegelaten.
De grens van 80 % wordt overeenkomstig artikel 59, § 4, beoordeeld.
Wanneer de in artikel 145^1, 1°, vermelde persoonlijke bijdragen en premies betrekking hebben op de individuele voortzetting van een pensioentoezegging als bedoeld in artikel 33 van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, mogen de aldus gedane stortingen niet meer bedragen dan 1.500 euro per jaar. Dat jaarbedrag wordt verminderd in verhouding tot de dagen van aansluiting tijdens hetzelfde jaar bij een pensioenstelsel als bedoeld in de voornoemde wet.
De Koning bepaalt de voorwaarden en de wijze van toepassing van deze bepaling en de modaliteiten volgens dewelke voorschotten op prestaties, inpandgevingen van pensioenrechten voor het waarborgen van een lening en de toewijzing van de afkoopwaarde aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet geen beletsel vormen voor de definitieve storting van de bijdragen en premies die in het eerste lid wordt geëist.
