Artikel 14, WIB 92
Art. 14, vierde lid, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 2005 (art. 4 en 65, 5de lid, W 10.08.2001 - B.S. 20.09.2001; Numac: 2001003402)
Van de inkomsten van onroerende goederen worden afgetrokken mits zij in het belastbare tijdperk zijn betaald of gedragen:
1° de interest uit hoofde van schulden die specifiek zijn aangegaan om die goederen te verkrijgen of te behouden, met dien verstande dat interest betreffende een schuld die voor één enkel onroerend goed is aangegaan, van het totale bedrag van de onroerende inkomsten kan worden afgetrokken;
2° de termijnen en de waarde van ermee gelijkgestelde lasten met betrekking tot de aanschaffing van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten, met uitsluiting van de in artikel 10, § 2, vermelde rechten van gebruik.
Onverminderd de toepassing van artikel 104, 9°, is het totale bedrag van de in het eerste lid vermelde aftrekken beperkt tot het overeenkomstig de artikelen 7 tot 13 bepaalde onroerend inkomen.
Deze aftrekken worden bij voorrang en evenredig afgetrokken van de andere inkomsten van onroerende goederen dan het voor woningaftrek in aanmerking komende kadastraal inkomen.
Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd en de in het eerste lid vermelde aftrekken van de ene belastingplichtige groter zijn dan zijn inkomsten van onroerende goederen, wordt het saldo aangerekend op de inkomsten van de onroerende goederen van de andere belastingplichtige.
