Artikel 171, WIB 92
Art. 171, 2°bis, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1997 (art. 9 en 28, 2de lid, W 20.12.1995 - B.S. 23.12.1995; Numac: 1995021463)
In afwijking van de artikelen 130 tot 168, zijn afzonderlijk belastbaar, behalve wanneer de aldus berekende belasting, vermeerderd met de belasting betreffende de andere inkomsten, meer bedraagt dan die welke zou voortvloeien uit de toepassing van de evenvermelde artikelen op het geheel van de belastbare inkomsten:
1° tegen een aanslagvoet van 33 %:
a) de in artikel 90, 1°, vermelde diverse inkomsten;
b) de in artikel 90, 8°, vermelde meerwaarden, ingeval de desbetreffende goederen worden vervreemd binnen 5 jaar na de verkrijging ervan;
c) onverminderd de toepassing van 4°, b, stopzettingsmeerwaarden op immateriële vaste activa als vermeld in artikel 28, eerste lid, 1°, en de in de artikelen 25, 6°, a en 27, tweede lid, 4°, a, vermelde vergoedingen verkregen als compensatie van een vermindering van de werkzaamheid, in zover zij niet meer bedragen dan de belastbare netto-winst of -baten die in de vier jaren vóór de stopzetting of de vermindering van de werkzaamheid uit de niet meer uitgeoefende werkzaamheid zijn verkregen.
Onder belastbare netto-winst of -baten van elk in het vorige lid vermelde jaar wordt verstaan het overeenkomstig artikel 23, § 2, 1°, vastgestelde inkomen, maar met uitzondering van de ingevolge deze onderafdeling afzonderlijk belaste inkomsten.
d) afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten vermeld in 2°, b, indien anders dan in 4°, f, vereffend;
e) kapitalen als vermeld in 2°, c, indien anders dan in 4°, g, vereffend;
f) afkoopwaarden als vermeld in 2°, d, indien anders vereffend;
g) spaartegoeden, kapitalen en afkoopwaarden als vermeld in 2°, e, indien anders vereffend;
2° tegen een aanslagvoet van 10 %:
a) (...)
b) kapitalen en afkoopwaarden als vermeld in 4°, f, in zoverre dat zij door persoonlijke bijdragen als vermeld in artikel 145^1, 1°, zijn gevormd;
c) kapitalen als vermeld in 4°, g, in zoverre dat zij door persoonlijke bijdragen als vermeld in artikel 145^1, 1°, zijn gevormd;
d) kapitalen die worden vereffend bij overlijden van de verzekerde en afkoopwaarden die worden vereffend in één der 5 jaren die aan het normaal verstrijken van het contract voorafgaan, en voor zover die kapitalen en afkoopwaarden worden uitgekeerd uit hoofde van levensverzekeringscontracten als vermeld in artikel 145^1, 2°, en tot het bedrag dat niet dient voor de wedersamenstelling of het waarborgen van een hypothecaire lening;
e) de in het kader van het pensioensparen door middel van betalingen als vermeld in artikel 145^1, 5°, gevormde spaartegoeden, kapitalen en afkoopwaarden, wanneer zij aan de rechthebbende worden uitgekeerd naar aanleiding van zijn pensionering op de normale datum of in één van de 5 jaren die aan die datum voorafgaan, naar aanleiding van zijn brugpensionering of naar aanleiding van het overlijden van de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is;
2°bis tegen een aanslagvoet van 15 %:
a) de inkomsten van roerende goederen en kapitalen die geen dividenden zijn en de in artikel 90, 5° tot 7°, vermelde diverse inkomsten;
b) de in artikel 269, tweede lid, 2°, en derde lid, vermelde dividenden;
3° tegen een aanslagvoet van 25 %, de dividenden, met uitzondering van die vermeld in artikel 269, tweede en derde lid;
3°bis tegen een aanslagvoet van 20 %, de in artikel 269, tweede lid, 1°, vermelde dividenden;
4° tegen een aanslagvoet van 16,5 %:
a) verwezenlijkte meerwaarden op materiële of financiële vaste activa die op het ogenblik van hun vervreemding sedert meer dan 5 jaar voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikten waarvoor niet voor de in artikel 47 vermelde gespreide belasting is geopteerd, en op andere aandelen die sedert meer dan 5 jaar zijn verworven.
De in het vorige lid gestelde voorwaarde van de vijfjarige belegging is niet vereist wanneer de meerwaarden worden verwezenlijkt naar aanleiding van de volledige en definitieve stopzetting van de beroepswerkzaamheid of van één of meer takken daarvan;
b) de in 1°, c, vermelde stopzettingsmeerwaarden die worden verkregen of vastgesteld naar aanleiding van de stopzetting van de werkzaamheid vanaf de leeftijd van 60 jaar of ingevolge het overlijden of naar aanleiding van een gedwongen definitieve stopzetting en de in 1°, c, vermelde vergoedingen die worden verkregen naar aanleiding van een handeling verricht vanaf dezelfde leeftijd of ingevolge het overlijden of naar aanleiding van een gedwongen handeling.
Onder gedwongen definitieve stopzetting of gedwongen handeling wordt verstaan de definitieve stopzetting of de handeling die voortvloeit uit een schadegeval, een onteigening, een opeising in eigendom, of een andere gelijkaardige gebeurtenis. Als gedwongen definitieve stopzetting wordt eveneens beschouwd de definitieve stopzetting die het gevolg is van een handicap als vermeld in artikel 135, eerste lid, 1°.
c) de in artikel 90, 2°, vermelde prijzen, subsidies, renten en pensioenen;
d) de in artikel 90, 8°, vermelde meerwaarden, wanneer de goederen waarop zij betrekking hebben meer dan 5 jaar na de verkrijging ervan zijn vervreemd;
e) de in artikel 90, 9°, vermelde meerwaarden;
f) niet volgens artikel 169, § 1, belastbare kapitalen van levensverzekeringscontracten die worden vereffend bij het normale verstrijken van het contract of bij het overlijden van de verzekerde, alsmede de afkoopwaarden van die contracten wanneer zij vereffend worden, naar aanleiding van de pensionering of brugpensionering van de verzekerde, in een der 5 jaren vóór het normaal verstrijken van het contract of op de normale leeftijd waarop de verkrijger zijn beroepswerkzaamheid uit hoofde waarvan het kapitaal is gevormd, volledig en definitief stopzet en in zoverre die kapitalen en afkoopwaarden door werkgeversbijdragen als vermeld in artikel 52, 3°, b, zijn gevormd;
g) andere kapitalen geldend als renten of pensioenen, wanneer zij aan de rechthebbende worden uitgekeerd ten vroegste naar aanleiding van zijn pensionering op de normale datum of in één van de 5 jaren die aan die datum voorafgaan, naar aanleiding van zijn brugpensionering, naar aanleiding van het overlijden van de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is of op de normale leeftijd waarop de verkrijger zijn beroepswerkzaamheid uit hoofde waarvan het kapitaal is gevormd, volledig en definitief stopzet en voor zover die kapitalen niet zijn gevormd door persoonlijke bijdragen als vermeld in artikel 145^1, 1°.
h) de afkoop van de gekapitaliseerde waarde van een deel van het wettelijk rust of overlevingspensioen;
i) de premies ingesteld bij:
- de Verordening (EEG) nr 1765/92 van de Raad van 30 juni 1992, tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen;
- de Verordening (EEG) nr 2066/92 van de Raad van 30 juni 1992, tot wijziging van Verordening (EEG) nr 805/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees en tot intrekking van Verordening (EEG) nr 468/87 tot vaststelling van de algemene voorschriften van het stelsel van de speciale premie voor producenten van rundvlees, alsmede van Verordening (EEG) nr 1357/80 tot instelling van een premieregeling voor het aanhouden van het zoogkoeienbestand;
- de Verordening (EEG) nr 2069/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot wijziging van Verordening (EEG) nr 3013/89 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector schape- en geitevlees;
- de Verordening (EEG) nr 2070/92 van de Raad van 30 juni 1992, tot wijziging van Verordening (EEG) nr 3493/90, tot vaststelling van de algemene voorschriften voor de toekenning van de premie aan de producenten van schape- en geitevlees;
5° tegen de gemiddelde aanslagvoet met betrekking tot het geheel van de belastbare inkomsten van het laatste vorige jaar waarin de belastingplichtige een normale beroepswerkzaamheid heeft gehad:
a) vergoedingen van meer dan 25.000 frank bruto, die al of niet contractueel betaald zijn ten gevolge van stopzetting van arbeid of beëindiging van een arbeidsovereenkomst;
b) bezoldigingen, pensioenen, renten of toelagen als vermeld in de artikelen 31 en 34, waarvan de uitbetaling of de toekenning door toedoen van de overheid of wegens het bestaan van een geschil slechts heeft plaatsgehad na het verstrijken van het belastbare tijdperk waarop zij in werkelijkheid betrekking hebben;
c) winst en baten van een vorige beroepswerkzaamheid als vermeld in artikel 28, eerste lid, 2° en 3°, a;
6° tegen de aanslagvoet met betrekking tot het geheel van de andere belastbare inkomsten:
- het verkregen vakantiegeld dat wordt betaald aan een hoofdarbeider die de onderneming verlaat;
- de in artikel 23, § 1, 2°, vermelde baten die betrekking hebben op gedurende een periode van meer dan 12 maanden geleverde diensten en die door toedoen van de overheid niet betaald zijn in het jaar van de prestaties maar in eenmaal worden vergoed, en zulks uitsluitend voor het evenredige deel dat een vergoeding van 12 maanden prestaties overtreft;
- de in artikel 90, 4°, vermelde uitkeringen.
