Artikel 205, WIB 92
Art. 205, § 2, tweede en derde lid, zijn van toepassing met ingang van het aanslagjaar 2005 (art. 2 en 3, W 02.05.2005 - B.S. 31.05.2005; Numac: 2005003505)
§ 1. Geen aftrek ingevolge artikel 202 wordt verleend ter zake van inkomsten uit activa die voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt in inrichtingen waarover de belastingplichtige in het buitenland beschikt en waarvan de winst krachtens internationale overeenkomsten tot het vermijden van dubbele belasting is vrijgesteld.
§ 2. De aftrek ingevolge artikel 202 wordt beperkt tot het bedrag van de winst van het belastbare tijdperk dat overblijft na toepassing van artikel 199, verminderd met:
1° de niet als beroepskosten aftrekbare giften, met uitzondering van de giften die in toepassing van de artikelen 199 en 200 van de winst worden afgetrokken;
2° de in artikel 53, 6° tot 11°, 14° en 21° tot 23°, vermelde kosten;
3° de interesten, retributies en bezoldigingen als bedoeld in artikel 54;
4° de niet-aftrekbare interesten als bedoeld in artikel 55;
5° de bijdragen en premies als bedoeld in artikel 52, 3°, b, en de ermee gelijkgestelde premies van bepaalde levensverzekeringen, voor zover die bijdragen en premies niet voldoen aan de voorwaarden en de begrenzingen gesteld in de artikelen 59 en 195, alsmede de pensioenen, aanvullende pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen voor zover die sommen niet voldoen aan de voorwaarden en de grens gesteld in artikel 60;
6° 25 % van de kosten en de minderwaarden met betrekking tot het gebruik van in artikel 66 vermelde personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen, met uitzondering van de brandstofkosten;
7° de als winst aan te merken restorno's zoals bedoeld in artikel 189, § 1;
8° de taksen als bedoeld in artikel 198, eerste lid, 4°, 8° en 9°.
De in het eerste lid opgesomde verminderingen zijn niet van toepassing op in artikel 202, § 1, 1° en 3°, vermelde inkomsten, verleend of toegekend door een dochteronderneming gevestigd in een lid-Staat van de Europese Unie.
Voor de toepassing van de vorige lid verstat men onder dochteronderneming, de dochteronderneming zoals ze is omgeschreven in de richtlijn van 23 juli 1990 (90/435/EEG) betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappij en dochter ondernemingen uit verschillende lid-Staten.
