Artikel 205ter, WIB 92
Art. 205ter is van toepassing vanaf aanslagjaar 2019 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt vanaf 01.01.2018 (art. 6 en 17, 1ste lid, W 30.07.2018 - B.S. 10.08.2018; Numac: 2018031626)
[Elke wijziging die vanaf 26.07.2017 aan de afsluitingsdatum van het boekjaar wordt aangebracht, blijft zonder uitwerking voor de toepassing van de in dit hoofdstuk bedoelde bepalingen (art. 17, 7de lid, W 30.07.2018 - B.S. 10.08.2018; Numac: 2018031626)]
§ 1. Om de aftrek voor risicokapitaal voor een belastbaar tijdperk te bepalen, is het in aanmerking te nemen risicokapitaal gelijk aan een vijfde van het positieve verschil tussen:
- het jaarlijkse bedrag van risicokapitaal dat, onder voorbehoud van de bepalingen van de §§ 2 tot 4, overeenstemt met het bedrag van het eigen vermogen van de vennootschap, aan het begin van het belastbare tijdperk, en dat overeenkomstig de wetgeving betreffende de boekhouding en de jaarrekening van ondernemingen werd bepaald en voor het bedrag waarvoor die bestanddelen op de balans voorkomen; en
- het jaarlijkse bedrag van risicokapitaal dat, onder voorbehoud van de bepalingen van de §§ 2 tot 4, overeenstemt met het bedrag van het eigen vermogen van de vennootschap, aan het begin van het vijfde voorgaande belastbare tijdperk, en dat overeenkomstig de wetgeving betreffende de boekhouding en de jaarrekening van ondernemingen werd bepaald en voor het bedrag waarvoor die bestanddelen op de balans voorkomen.
Het jaarlijkse bedrag aan risicokapitaal voor een belastbaar tijdperk waarin de vennootschap nog niet bestond, is voor dat belastbaar tijdperk gelijk aan nul.
§ 2. Voor de bepaling van het in aanmerking te nemen risicokapitaal worden de in § 1, eerste lid, bepaalde jaarlijkse bedragen van risicokapitaal met betrekking tot elk belastbaar tijdperk verminderd met de volgende bestanddelen aan het begin van het betrokken belastbaar tijdperk:
1° de fiscale nettowaarde van de eigen aandelen en de financiële vaste activa die uit deelnemingen en andere aandelen bestaan;
2° de fiscale nettowaarde van de aandelen waarvan de eventuele inkomsten in aanmerking komen om krachtens de artikelen 202 en 203 van de winst te worden afgetrokken;
3° de netto boekwaarde van de materiële vaste activa of gedeelten ervan in zover de erop betrekking hebbende kosten op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreffen;
4° de netto boekwaarde van de bestanddelen die als belegging worden gehouden en die door de aard ervan niet bestemd zijn om een belastbaar periodiek inkomen voort te brengen;
5° de netto boekwaarde van onroerende goederen of andere zakelijke rechten met betrekking tot dergelijke goederen waarvan natuurlijke personen die in de vennootschap een opdracht of functies als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, uitoefenen, hun echtgenoot of hun kinderen wanneer die personen of hun echtgenoot het wettelijk genot van de inkomsten van die kinderen hebben, het gebruik hebben;
6° de in artikel 44, § 1, 1°, bedoelde uitgedrukte maar niet verwezenlijkte meerwaarden, die geen betrekking hebben op activabestanddelen als bedoeld in 3° tot 5°, de belastingkredieten voor onderzoek en ontwikkeling en de kapitaalsubsidies;
7° de fiscale nettowaarde van de vorderingen op een in artikel 227 vermelde belastingplichtige of op een buitenlandse inrichting die gevestigd is in een land waarmee België noch een akkoord of overeenkomst heeft gesloten, noch deelneemt aan een ander bilateraal of multilateraal gesloten juridisch instrument, die de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot belastingaangelegenheden mogelijk maken, tenzij de vennootschap bewijst dat de verrichting beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften;
8° de inbreng van kapitaal door een in artikel 227 vermelde belastingplichtige of een buitenlandse inrichting die gevestigd is in een land waarmee België noch een akkoord of overeenkomst heeft gesloten, noch deelneemt aan een ander bilateraal of multilateraal gesloten juridisch instrument, die de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot belastingaangelegenheden mogelijk maken, tenzij de vennootschap bewijst dat de verrichting beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften;
9° de inbreng van kapitaal door een verbonden vennootschap wanneer zij rechtstreeks of onrechtstreeks haar oorsprong vindt in leningen onderschreven door een verbonden vennootschap waarbij deze de intresten als kosten aftrekt.
(...)
§ 3. Voor de toepassing van § 2, 1°, moet, ten name van de hiernavolgende kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beursvennootschappen, onder financiële vaste activa die uit deelnemingen en andere aandelen bestaan, worden verstaan de aandelen die de aard van financiële vaste activa hebben, dat wil zeggen:
1° ten name van de in artikel 56, § 1, bedoelde kredietinstellingen, de in post VII "Financiële vaste activa" te boeken aandelen, zoals die balanspost wordt omschreven in het koninklijk besluit van 23 september 1992 op de jaarrekening van de kredietinstellingen;
2° ten name van de in artikel 56, § 2, 2°, h, bedoelde verzekeringsondernemigen:
a) de in post C.II. "Beleggingen in verbonden ondernemingen en deelnemingen" van de balans te boeken aandelen en deelbewijzen;
b) de in post C.III. "Overige financiële beleggingen" van de balans te boeken aandelen en deelbewijzen, voor zover die aandelen de aard hebben van "andere financiële vaste activa" volgens rubriek IV.C.I. van artikel 95, van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschapppen; zoals die balansposten C.II. en C.III. omschreven worden in het koninklijk besluit van 17 november 1994 betreffende de jaarrekening van verzekeringsondernemingen;
3° ten name van de in artikel 47 van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen bedoelde beursvennootschappen, de aandelen te boeken in post IV "Financiële vaste activa", zoals die balanspost wordt omschreven in het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen.
§ 4. Voor de belastingplichtigen die aan de vennootschapsbelasting onderworpen zijn, op wie de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen van toepassing is, wordt onder eigen vermogen, als bedoeld in § 1, het eigen vermogen verstaan zoals blijkt uit de balans die door deze belastingplichtigen is opgemaakt.
