Artikel 219bis, WIB 92

Art. 219bis, § 2, is van toepassing voor de aanslagjaren 1999 tot 2001 (art. 47, § 1, W 04.05.1999 - B.S. 12.06.1999; Numac: 1999003331)

[De aanslag als bedoeld in artikel 219bis, § 2, van hetzelfde Wetboek, is mede van toepassing wanneer een tot het belastbaar tijdperk verbonden aan het aanslagjaar 2001 door de Algemene Spaar- en Lijfrentekas-Bank erkende vennootschap als bedoeld in artikel 216, 2°, b, van hetzelfde Wetboek, met ingang van de eerste dag van het belastbaar tijdperk verbonden aan het aanslagjaar 2002 niet opnieuw door het bevoegde gewest wordt erkend. Die aanslag wordt gevestigd voor het belastbaar tijdperk verbonden aan het aanslagjaar 2002. (art. 47, § 2, W 04.05.1999 - B.S. 12.06.1999)]

[Elke wijziging die vanaf 1 januari 1998 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht is zonder uitwerking voor de toepassing van artikel 47, § 1 (art. 48, § 2, 5de lid, W 04.05.1999 - B.S. 12.06.1999)]


§ 1. Ten name van de kredietverenigingen en van de maatschappijen voor onderlinge borgstelling die lid zijn van het net van het beroepskrediet en van de kredietkassen erkend door de N.V. Landbouwkrediet, wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd bij het uitgesloten worden of de ontslagname uit dat net, of bij de intrekking of de afstand van die erkenning.

Die aanslag wordt gevestigd voor het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk deze vereniging, maatschappij of kas wordt uitgesloten of ontslag neemt uit het net van het beroepskrediet, of tijdens hetwelk de erkenning wordt ingetrokken of afstand wordt gedaan van de erkenning.

Die aanslag is gelijk aan 34 % van het totaal bedrag van de belaste reserves zoals die bestonden op het einde van de belastbare periode verbonden aan het aanslagjaar 1993.

§ 2. Ten name van de vennootschappen als vermeld in artikel 216, 2°, a, en van de vennootschappen als bedoeld in artikel 216, 2°, b, erkend hetzij door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij, de Société régionale wallonne du logement, de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij of de Vlaamse Landmaatschappij, hetzij door de Algemene Spaar- en Lijfrentekas-Bank, hetzij door het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of het Waals Gewest, wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd bij het uitgesloten worden of de ontslagname uit het net van het beroepskrediet, of bij de intrekking of de afstand van die erkenning.

Die aanslag wordt gevestigd voor het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk de vennootschap of vereniging wordt uitgesloten of ontslag neemt uit het net van het beroepskrediet of tijdens hetwelk de erkenning van de vennootschap wordt ingetrokken of afstand wordt gedaan van de erkenning.

Die aanslag is gelijk aan 34 % van het totaal bedrag van de belaste reserves bij het begin van het belastbaar tijdperk.

In afwijking van het eerste lid is de aanslag wat de in artikel 216, 2°, b, bedoelde vennootschappen betreft, niet verschuldigd wanneer een door de Algemene Spaar- en Lijfrentekas-Bank niet meer erkende vennootschap met ingang van de datum van de intrekking of afstand van haar erkenning, opnieuw erkend wordt door het bevoegde gewest.

§ 3. Ten name van de vennootschappen als bedoeld in artikel 216, 2°, wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd op de dividenduitkering.

Die aanslag is gelijk aan 34 % van die dividenduitkering.