Artikel 232, WIB 92
Art. 232, eerste lid, 2°, is van toepassing op de inkomsten die worden behaald of verkregen vanaf 01.01.2018 (art. 52 en 53, W 18.07.2018 - B.S. 26.07.2018; Numac: 2018040291)
[Het Grondwettelijk Hof, bij arrest nr. 53/2020 van 23.04.2020 (B.S. 20.05.2020; Numac: 2020202097), vernietigt de wet van 18.07.2018 "betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie" (B.S. 26.07.2018; Numac: 2018040291) en de wet van 30.10.2018 "tot wijziging van de wet van 18.07.2018 betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie en van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992" (B.S. 12.11.2018; Numac: 2018205624); en handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepalingen voor de activiteiten geleverd tot en met 31.12.2020]
Voor belastingplichtigen vermeld in artikel 227, 1°, wordt de belasting gevestigd:
1° op het totale bedrag van hun inkomsten uit in België gelegen onroerende goederen, wanneer die belastingplichtigen inkomsten verkrijgen uit verhuurde onroerende goederen of uit de vestiging of de overdracht van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten;
2° op het totale bedrag van hun inkomsten uit in België gelegen onroerende goederen, van hun in artikel 228, § 1, bedoelde beroepsinkomsten, van hun in artikel 228, § 2, 9°, a/1, vermelde inkomsten en van de in artikel 228, § 2, 9°, h, vermelde meerwaarden, wanneer zij:
a) beschikken of geacht worden te beschikken over één of meer Belgische inrichtingen;
b) in België inkomsten behalen of verkrijgen als vermeld in artikel 228, § 2, 3°, a en e, 4°, 5°, 6°, 7°, 7°bis en 9°, a/1 en h;
c) in België persoonlijk een activiteit als sportbeoefenaar uitoefenen gedurende meer dan 30 dagen, te berekenen per tijdperk van 12 opeenvolgende maanden en per schuldenaar van de in artikel 228, § 2, 8°, bedoelde inkomsten.
In de gevallen als vermeld in het eerste lid, 1°, wordt de belasting evenwel niet gevestigd wanneer het totale bedrag van de inkomsten van onroerende goederen lager is dan 2.500 euro.
In geval van een gemeenschappelijke aanslag is het tweede lid slechts van toepassing op voorwaarde dat:
- geen van beide echtgenoten inkomsten heeft behaald of verworven als bedoeld in het eerste lid, 2°, of de in artikel 248, § 2, vermelde keuze heeft gemaakt, en
- het totale bedrag van de inkomsten van onroerende goederen van elke echtgenoot lager is dan 2.500 euro.
