Artikel 267, WIB 92

Opschrift van de onderafdeling III en art. 267, eerste en vierde lid, is van toepassing vanaf 06.04.1999 (art. 2 en 3, W 15.03.1999 - B.S. 27.03.1999; Numac: 1999003180)

De toekenning of de betaalbaarstelling van de inkomsten brengt de opeisbaarheid van de roerende voorheffing mede.

Als toekenning wordt inzonderheid beschouwd: de inschrijving van een inkomen op een ten bate van de verkrijger geopende rekening, zelfs als die rekening onbeschikbaar is, mits de onbeschikbaarheid het gevolg is van een uitdrukkelijke of stilzwijgende overeenkomst met de verkrijger.

Het uitreiken, ter vertegenwoordiging van inkomsten, van effecten die renderend kunnen zijn, wordt ten belope van de waarde van het effect met betaalbaarstelling gelijkgesteld. Die waarde mag niet lager zijn dan die welke zou bepaald zijn bij de laatste prijscourant door de Belgische regering gepubliceerd voor de datum van toekenning of betaalbaarstelling; zijn de effecten in bedoelde prijscourant niet genoteerd, dan wordt de roerende voorheffing berekend op de verkoopwaarde daarvan die de belastingplichtige onder toezicht van de administratie aangeeft.

De toekenning of de betaalbaarstelling van inkomsten door een in artikel 265, 2°, vermeld fonds voor belegging in schuldvorderingen, brengt eveneens de opeisbaarheid van de roerende voorheffing mede, voor zover die inkomsten voortkomen uit inkomsten als vermeld in artikel 17.

Inkomsten van gelddeposito's worden geacht te zijn toegekend of betaalbaar gesteld op de laatste dag van het tijdperk waarop ze betrekking hebben.

De renten van geldsommen gedeponeerd bij de Deposito- en Consignatiekas worden geacht te zijn toegekend of betaalbaar gesteld op 31 december van ieder jaar.

Inkomsten waarop de roerende voorheffing door de verkrijger is verschuldigd ingevolge artikel 262, worden geacht te zijn toegekend of betaalbaar gesteld op de laatste dag van het belastbare tijdperk waarin zij door de verkrijger zijn verkregen.

Als toekenning wordt eveneens aangemerkt, de verwerving van inkomsten uit de vervreemding van aandelen van buitenlandse beleggingsvennootschappen onder de in artikel 19, § 1, 4°, gestelde voorwaarden.