Artikel 269/1, WIB 92

Art. 269/1 is van toepassing op de inkomsten die worden toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 28.12.2015 (art. 56 en 68, W 18.12.2015 - B.S. 28.12.2015)

§ 1. In afwijking van artikel 269 wordt voor de dividenden van Belgische oorsprong die worden verkregen door een in het tweede lid bedoelde vennootschap en in de mate dat de krachtens de artikelen 261 tot 269 verschuldigde roerende voorheffing niet kan worden verrekend noch worden terugbetaald in hoofde van de verkrijgende vennootschap, het tarief van de roerende voorheffing dat wordt toegepast op het gedeelte van de overeenstemmende dividenden vastgesteld op 5 % van het met de aanvullende crisisbijdrage bedoeld in artikel 463bis verhoogde tarief bedoeld in artikel 215, eerste lid.

Het eerste lid is slechts van toepassing voor de verkrijgende vennootschappen die:

- gevestigd zijn in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of in een Staat waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, op voorwaarde dat deze overeenkomst of enig ander verdrag in de uitwisseling van inlichtingen voorziet die nodig zijn om uitvoering te geven aan de bepalingen van de nationale wetten van de overeenkomstsluitende Staten;

- een rechtsvorm hebben die in de bijlage I, deel A, van de richtlijn van de Raad van 30 november 2011 (2011/96/EU) betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten, gewijzigd door de richtlijn van de Raad van 8 juli 2014 (2014/86/EU) wordt genoemd of een rechtsvorm hebben die vergelijkbaar is met de rechtsvormen die zijn opgenomen in deze bijlage en die wordt beheerst door het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of een gelijksoortige rechtsvorm als deze in een Staat waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten;

- op de datum van toekenning of betaalbaarstelling van dividenden bedoeld in artikel 202, § 1, 1° en 2°, in het kapitaal van de vennootschap die ze uitkeert een deelneming van minder dan 10 % bezitten waarvan de aanschaffingswaarde ten minste 2.500.000 euro bedraagt;

- deze deelneming gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar in volle eigendom behouden.

§ 2. Het in § 1 bedoelde tarief wordt slechts toegestaan indien de schuldenaar van de dividenden in het bezit is van een attest dat bevestigt:

1° dat de verkrijger een rechtsvorm heeft die in de bijlage I, deel A, van de richtlijn van de Raad van 30 november 2011 (2011/96/EU) betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten, gewijzigd door de richtlijn van de Raad van 8 juli 2014 (2014/86/EU) wordt genoemd of een hiermee vergelijkbare rechtsvorm heeft als deze genoemd in de voormelde bijlage en die wordt beheerst door het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of een gelijksoortige rechtsvorm als deze in een Staat waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten;

2° dat de aanschaffingswaarde van de deelneming ten minste 2.500.000 euro bedraagt;

3° dat de dividenden betrekking hebben op aandelen die gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar in volle eigendom worden of werden behouden;

4° in welke mate, voor de verkrijgende vennootschap, de krachtens de artikelen 261 tot 269 verschuldigde roerende voorheffing in beginsel verrekenbaar of terugbetaalbaar is op grond van de wettelijke bepalingen die gelden op 31 december van het jaar voorafgaand aan de toekenning of betaalbaarstelling van het in § 1, eerste lid, bedoelde dividend.