Artikel 275^10, WIB 92

Art. 275^10, tweede lid, 3°, en derde lid, heeft uitwerking met ingang van 01.08.2015 (art. 109 en 110, progW 26.12.2015 - B.S. 30.12.2015; Numac: 2015205966)


De in het tweede lid omschreven werkgevers die bezoldigingen van werknemers betalen of toekennen en die krachtens artikel 270, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op deze bezoldigingen, worden ervan vrijgesteld 10 % van die bedrijfsvoorheffing in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen wordt ingehouden.

Dit artikel is van toepassing op werkgevers die aan alle onderstaande voorwaarden tegelijk voldoen:

1° de werkgever valt onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;

2° de werkgever wordt aangemerkt als kleine vennootschap op grond van artikel 15 van het Wetboek van vennootschappen of is een natuurlijke persoon die op overeenkomstige wijze beantwoordt aan de criteria van het voormelde artikel 15;

3° de werkgever is sinds ten hoogste 48 maanden ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen. De termijn van 48 maanden vangt aan op de eerste dag van de maand volgend op die inschrijving.

Wanneer de werkgever een werkzaamheid voortzet die voorheen werd uitgeoefend door een natuurlijke persoon of een andere rechtspersoon, vangt de termijn van 48 maanden vermeld in het tweede lid, 3°, aan op de eerste dag van de maand volgend op de eerste inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen door die natuurlijke of rechtspersoon.

Het in het eerste lid vermelde percentage wordt verhoogd tot 20 % wanneer de werkgever op het einde van het belastbaar tijdperk tevens aan tenminste twee van de drie onderstaande criteria, waarvan de bedragen in euro niet worden geïndexeerd overeenkomstig artikel 178, voldoet:

- het balanstotaal bedraagt niet meer dan 350.000 euro;

- de omzet exclusief de belasting over de toegevoegde waarde bedraagt niet meer dan 700.000 euro;

- het gemiddelde personeelsbestand gedurende het jaar bedraagt niet meer dan 10.

De vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan niet worden toegepast door een werkgever:

- waarvoor een aangifte of vordering tot faillietverklaring is ingesteld of waarvan het beheer van het actief geheel of ten dele is ontnomen zoals bepaald in de artikelen 7 en 8 van de faillissementswet van 8 augustus 1997;

- waarvoor een procedure van gerechtelijke reorganisatie is geopend zoals bedoeld in artikel 23 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen;

- die een ontbonden vennootschap is en zich in staat van vereffening bevindt.

De Koning bepaalt de formaliteiten die moeten worden vervuld voor de toepassing van dit artikel.