Artikel 275^5, WIB 92

Art. 275^5, § 1/1 (ingevoegd) en § 3/1 (ingevoegd), is van toepassing op de bezoldigingen die worden betaald of toegekend vanaf 01.01.2021 (art. 68 en 70, W 12.05.2024 - B.S. 29.05.2024; Numac: 2024004641)

[In het jaar 2026, 2027 en 2028 wordt de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor ploegenarbeid geëvalueerd waarbij er bijzondere aandacht besteed wordt aan de budgettaire kostprijs van de maatregel en de concurrentiepositie van België ten opzichte van de buurlanden. Het verslag van deze evaluatie wordt door de minister van Financiën overgezonden aan de Kamer van volksvertegenwoordigers (art. 69, W 12.05.2024 - B.S. 29.05.2024; Numac: 2024004641)]


§ 1. De ondernemingen waarin ploegenarbeid of nachtarbeid wordt verricht, die een ploegenpremie betalen of toekennen en die krachtens artikel 270, eerste lid, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op die premie, worden ervan vrijgesteld een bedrag aan bedrijfsvoorheffing gelijk aan 22,8 % van het totaal van de belastbare bezoldigingen van al de werknemers op wie deze paragraaf van toepassing is samen waarin die ploegenpremies zijn begrepen, in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen en premies wordt ingehouden.

De in het vorige lid bedoelde belastbare bezoldigingen, ploegenpremies inbegrepen, zijn de overeenkomstig artikel 31, tweede lid, 1° en 2°, vastgestelde belastbare bezoldigingen van de werknemers met uitsluiting van het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de achterstallige bezoldigingen.

Om de in het eerste lid bedoelde vrijstelling van storting van de bedrijfsvoorheffing te verkrijgen, moet de werkgever, ter gelegenheid van zijn aangifte in de bedrijfsvoorheffing, het bewijs leveren dat de werknemers voor wie de vrijstelling voorzien in dit artikel wordt gevraagd ploegenarbeid hebben verricht tijdens de periode waarop die aangifte betrekking heeft. De Koning bepaalt de nadere modaliteiten voor het leveren van dit bewijs.

Deze vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing wordt enkel toegekend voor zover het bezoldigingen betreft voor werknemers die, overeenkomstig de arbeidsregeling waarin zij tewerkgesteld zijn, over de betrokken maand waarvoor het voordeel wordt gevraagd, tenminste een derde van hun arbeidstijd in ploegen- of nachtarbeid zijn tewerkgesteld. Voor de toepassing van deze norm worden, naast de effectieve arbeidsprestaties, ook de schorsingen van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst waarvoor het loon wordt doorbetaald, mee in de teller opgenomen.

Perioden van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst zonder loon, worden niet meegerekend in de noemer.

§ 1/1. De ondernemingen waarin ploegenarbeid wordt verricht, die een ploegenpremie betalen of toekennen en die krachtens artikel 270, eerste lid, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op die premie, worden ervan vrijgesteld het in het vierde lid bedoelde bedrag aan bedrijfsvoorheffing in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen en premies wordt ingehouden.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht, de ondernemingen begrepen waar het werk wordt verricht in minstens twee ploegen van minstens twee werknemers, die qua inhoud hetzelfde werk doen, en die elkaar in de loop van de dag opvolgen zonder dat er een onderbreking is tussen de opeenvolgende ploegen, zonder dat de overlapping meer bedraagt dan een vierde van hun dagtaak en waarbij alle werknemers die ploegenarbeid verrichten een ploegenpremie ontvangen:

a) hetzij door werknemers van categorie 1 bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;

b) hetzij door statutaire werknemers bij de volgende autonome overheidsbedrijven: de naamloze vennootschap van publiek recht Proximus en de naamloze vennootschap van publiek recht bpost;

c) hetzij door werknemers bij de naamloze vennootschap van publiek recht HR Rail met uitzondering van de door haar ter beschikking gestelde werknemers aan de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS en de naamloze vennootschap van publiek recht Infrabel in het kader van hun activiteiten van openbare dienstverlening.

Voor de toepassing van het tweede lid wordt een onderbreking tussen de opeenvolgende ploegen die 15 minuten of minder bedraagt, niet in aanmerking genomen.

Het bedrag aan bedrijfsvoorheffing dat in toepassing van deze paragraaf wordt vrijgesteld, wordt als volgt bepaald:

1) er wordt voor de betrokken maand waarvoor het voordeel wordt gevraagd, een bedrag vastgesteld van 22,8 % van het totaal van de belastbare bezoldigingen waarin de in het eerste lid bedoelde ploegenpremies zijn begrepen van al de werknemers op wie deze paragraaf van toepassing is samen;

2) vervolgens wordt voor elke werkdag dat er ploegenarbeid wordt verricht in die maand, enerzijds het verschil in omvang van het werk tussen de opeenvolgende ploegen ten opzichte van de ploeg met de kleinste omvang van het werk vastgesteld, en anderzijds de totale omvang van het werk van de opeenvolgende ploegen;

3) vervolgens wordt de afwijking op de omvang van het werk die betrekking heeft op die maand vastgesteld door middel van een breuk en uitgedrukt als een percentage, met in de teller de som van het voor elke werkdag van die maand vastgestelde verschil in omvang van het werk van de opeenvolgende ploegen en in de noemer de som van de voor elke werkdag van die maand vastgestelde totale omvang van het werk van de opeenvolgende ploegen;

4) tot slot wordt het bedrag aan bedrijfsvoorheffing dat in toepassing van deze paragraaf wordt vrijgesteld bekomen door het in 1) vastgestelde bedrag verhoudingsgewijs te verminderen a rato van het in 3) vastgestelde percentage van de afwijking van de omvang van het werk.

De in het vierde lid bedoelde belastbare bezoldigingen, ploegenpremies inbegrepen, zijn de overeenkomstig artikel 31, tweede lid, 1° en 2°, vastgestelde belastbare bezoldigingen van de werknemers met uitsluiting van het dubbel vakantiegeld, de eindejaarspremie en de achterstallige bezoldigingen.

De in deze paragraaf bedoelde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing wordt enkel toegekend voor zover het bezoldigingen betreft voor werknemers die, overeenkomstig de arbeidsregeling waarin zij tewerkgesteld zijn, over de betrokken maand waarvoor het voordeel wordt gevraagd, tenminste een derde van hun arbeidstijd in ploegenarbeid zijn tewerkgesteld. Perioden van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst zonder loon, worden niet in aanmerking genomen. Voor de toepassing van deze norm omvat:

- de teller: het aantal effectief in ploegenarbeid gepresteerde arbeidsuren waarvoor de werknemer eveneens een ploegenpremie heeft verkregen evenals de uren waarvoor de uitvoering van de arbeidsovereenkomst werd geschorst en waarvoor het loon door de werkgever werd doorbetaald, indien kan worden aangetoond dat de betrokken werknemer, overeenkomstig zijn arbeidsregeling, zou tewerkgesteld zijn in ploegenarbeid en hiervoor eveneens een ploegenpremie zou hebben verkregen;

- de noemer: het totaal aantal effectief gepresteerde arbeidsuren evenals het totale aantal uren waarvoor de uitvoering van de arbeidsovereenkomst werd geschorst maar waarvoor het loon wordt doorbetaald.

De in deze paragraaf bedoelde vrijstelling van doorstorting kan niet worden verleend indien een in paragraaf 1, 2, 3, 4 of 5 bedoelde vrijstelling op dezelfde bezoldiging wordt toegepast.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder ploegenpremie, de premie verstaan bedoeld in paragraaf 1, zevende lid.

De ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid die uitzendkrachten ter beschikking stellen van de in deze paragraaf bedoelde ondernemingen die deze uitzendkrachten tewerkstellen in een systeem van ploegenarbeid in de functie van een werknemer van categorie 1, worden, wat de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing op de belastbare bezoldigingen van die uitzendkrachten waarin ploegenpremies zijn begrepen, betreft, gelijkgesteld met die ondernemingen, voor zover aan de voorwaarden van paragraaf 1, achtste lid is voldaan.

Om de in deze paragraaf bedoelde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing te verkrijgen, moet de werkgever, ter gelegenheid van zijn aangifte in de bedrijfsvoorheffing, het bewijs leveren dat de werknemers voor wie de vrijstelling wordt gevraagd ploegenarbeid hebben verricht en voor deze prestaties ploegenpremies hebben verkregen tijdens de periode waarop die aangifte in de bedrijfsvoorheffing betrekking heeft. De Koning bepaalt de nadere modaliteiten voor het leveren van dit bewijs.

Deze paragraaf is enkel van toepassing op bezoldigingen die tot 31 december 2026 worden betaald of toegekend.

§ 2. Voor de toepassing van § 1 wordt verstaan onder:

1° ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht: de ondernemingen waar het werk wordt verricht in minstens twee ploegen van minstens twee werknemers, die hetzelfde werk doen zowel qua inhoud als qua omvang en die elkaar in de loop van de dag opvolgen zonder dat er een onderbreking is tussen de opeenvolgende ploegen en zonder dat de overlapping meer bedraagt dan een vierde van hun dagtaak:

a) hetzij door werknemers van categorie 1 bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;

b) hetzij door statutaire werknemers bij de volgende autonome overheidsbedrijven: de naamloze vennootschap van publiek recht Proximus en de naamloze vennootschap van publiek recht bpost;

c) hetzij door werknemers bij de naamloze vennootschap van publiek recht HR Rail met uitzondering van de door haar ter beschikking gestelde werknemers aan de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS en de naamloze vennootschap van publiek recht Infrabel in het kader van hun activiteiten van openbare dienstverlening;

2° ondernemingen waar nachtarbeid wordt verricht: de ondernemingen waar werknemers overeenkomstig de in de onderneming toepasselijke arbeidsregeling, prestaties verrichten tussen 20 uur en 6 uur, met uitsluiting van de werknemers die enkel prestaties verrichten tussen 6 uur en 24 uur en de werknemers die gewoonlijk beginnen te werken vanaf 5 uur. De hier bedoelde werknemers zijn:

a) hetzij de werknemers van categorie 1 bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;

b) hetzij de statutaire werknemers bij de volgende autonome overheidsbedrijven: de naamloze vennootschap van publiek recht Proximus en de naamloze vennootschap van publiek recht bpost;

c) hetzij de werknemers bij de naamloze vennootschap van publiek recht HR Rail met uitzondering van de door haar ter beschikking gestelde werknemers aan de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS en de naamloze vennootschap van publiek recht Infrabel in het kader van hun activiteiten van openbare dienstverlening;

3° ploegenpremie, de premie die wordt toegekend naar aanleiding van de in 1° bedoelde ploegenarbeid of van de in 2° bedoelde nachtarbeid;

4° de ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid die uitzendkrachten ter beschikking stellen van in 1° en 2° bedoelde ondernemingen die deze uitzendkrachten tewerkstellen in een systeem van ploegen- of nachtwerk in de functie van een werknemer van categorie 1, worden, wat de vrijstelling van storting van de bedrijfsvoorheffing op de belastbare bezoldigingen van die uitzendkrachten waarin ploegenpremies zijn begrepen, betreft, gelijkgesteld met die ondernemingen.

§ 3. De in § 1, eerste lid, bedoelde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing wordt verhoogd met 2,2 procentpunten van het totaal van de belastbare bezoldigingen van al de werknemers op wie deze paragraaf van toepassing is samen, voor ondernemingen die werken in een volcontinu arbeidssysteem.

Onder ondernemingen die werken in een volcontinu arbeidssysteem wordt verstaan, de ondernemingen waar het werk wordt verricht door de werknemers van categorie 1 bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002, in minstens vier ploegen van minstens 2 werknemers, die hetzelfde werk doen zowel qua inhoud als qua omvang, die een continue bezetting tijdens de gehele week en het weekend garanderen, en die elkaar opvolgen zonder dat er een onderbreking is tussen de opeenvolgende ploegen en zonder dat de overlapping meer bedraagt dan een vierde van hun dagtaak. De bedrijfstijd in dergelijke ondernemingen, zijnde de tijd dat het bedrijf functioneert, bedraagt minstens 160 uur op weekbasis.

§ 3/1. Het in § 1/1, vierde lid, 1), bedoelde bedrag wordt verhoogd met 2,2 procentpunten van het totaal van de belastbare bezoldigingen van al de werknemers op wie deze paragraaf van toepassing is samen, voor ondernemingen die werken in een volcontinu arbeidssysteem.

Onder ondernemingen die werken in een volcontinu arbeidssysteem wordt verstaan, de ondernemingen waar het werk wordt verricht door de werknemers van categorie 1 bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002, in minstens vier ploegen van minstens 2 werknemers, die qua inhoud hetzelfde werk doen, die een continue bezetting tijdens de gehele week en het weekend garanderen, en die elkaar opvolgen zonder dat er een onderbreking is tussen de opeenvolgende ploegen en, zonder dat de overlapping meer bedraagt dan een vierde van hun dagtaak en waarbij alle werknemers die ploegenarbeid verrichten in een volcontinu arbeidssysteem een ploegenpremie ontvangen. De bedrijfstijd in dergelijke ondernemingen, zijnde de tijd dat het bedrijf functioneert, bedraagt minstens 160 uur op weekbasis.

Voor de toepassing van het tweede lid wordt een onderbreking tussen de opeenvolgende ploegen die 15 minuten of minder bedraagt, niet in aanmerking genomen.

Deze paragraaf is enkel van toepassing op bezoldigingen die tot 31 december 2026 worden betaald of toegekend.

§ 4. In afwijking van de paragrafen worden 1 tot 3 voor de toepassing van dit artikel eveneens verstaan onder ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht:

- de ondernemingen die onder het paritair comité voor de binnenscheepvaart ressorteren, met uitzondering van hun sleepdienstactiviteit;

- en in zover het gaat om werken onder het regime van systeemvaart, waar werknemers, die evenveel rustdagen als arbeidsdagen hebben, worden tewerkgesteld overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomst van 3 oktober 2012 met betrekking tot het invoeren van een regime van systeemvaart en waarbij de periode aan boord niet meer bedraagt dan 30 opeenvolgende dagen.

De in paragraaf 1 bedoelde vrijstelling wordt aan ondernemingen bedoeld in het eerste lid enkel toegekend voor de werknemers aan wie een premie van 18,5 % van het basisloon wordt toegekend, zoals bepaald door de in het eerste lid vermelde collectieve arbeidsovereenkomst, en die overeenkomstig voormelde collectieve arbeidsovereenkomst over de betrokken maand waarvoor het voordeel wordt gevraagd, minstens een derde van hun werktijd in het regime van de systeemvaart tewerkgesteld zijn.

Voor de in het eerste lid bedoelde ondernemingen wordt de in paragraaf 1 bedoelde vrijstelling berekend op het totaal van de belastbare bezoldigingen van al de betrokken werknemers samen, met uitzondering van de belastbare bezoldigingen van de werknemers die niet voldoen aan de in het eerste en tweede lid bedoelde voorwaarden.

De in deze paragraaf bedoelde vrijstelling kan niet worden toegekend aan een in het eerste lid bedoelde onderneming, indien het totaal van de krachtens deze paragraaf toegekende vrijstelling en andere door de federale overheid of door een gewest toegekende steun die onder het toepassingsgebied valt van Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, en die in de loop van het huidige en de laatste twee afgesloten belastbare tijdperken werd toegekend aan deze onderneming of aan een vennootschap die deel uitmaakt van dezelfde groep van vennootschappen als deze onderneming, meer bedraagt dan 200.000 euro.

De in het derde lid bedoelde belastbare bezoldigingen, premie inbegrepen, zijn de overeenkomstig artikel 31, tweede lid, 1° en 2°, vastgestelde belastbare bezoldigingen van de werknemers met uitsluiting van het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de achterstallige bezoldigingen.

De ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid die uitzendkrachten ter beschikking stellen van ondernemingen die voldoen aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden, worden voor wat betreft de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing op de in het derde lid bedoelde belastbare bezoldigingen van deze uitzendkrachten gelijkgesteld met de in het eerste lid bedoelde ondernemingen waarvoor zij uitzendkrachten ter beschikking stellen.

De in deze paragraaf bedoelde vrijstelling kan slechts worden toegekend indien samen met de aangifte een verklaring wordt overgemaakt, waarvan het model door de Koning wordt vastgelegd, en waarin het geheel is opgenomen van de krachtens deze paragraaf toegekende vrijstelling en andere door de federale overheid of door een gewest toegekende steun die onder het toepassingsgebied valt van de in het vierde lid bedoelde Verordening, en die in de loop van het huidige en de laatste twee afgesloten belastbare tijdperken werd toegekend aan deze onderneming of aan een vennootschap die deel uitmaakt van dezelfde groep van vennootschappen als deze onderneming.

§ 5. In afwijking van de vorige paragrafen worden voor de toepassing van dit artikel eveneens verstaan onder ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht:

- de ondernemingen waar het werk wordt verricht in één of meerdere ploegen van minstens twee personen, zonder rekening te houden met studenten zoals bedoeld in titel VII van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en leerlingen in een alternerende opleiding als bedoeld in artikel 1bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, die hetzelfde of complementair werk doen zowel qua inhoud als qua omvang;

- en in zover het gaat om werken bedoeld in artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.

- en in zover deze ondernemingen aan de betrokken werknemers in de voormelde ploeg een bruto-uurloon toekennen of betalen, voor inhouding van de persoonlijke sociale zekerheidsbijdrage, van minstens 13,75 euro (basisbedrag).

Indien deze ondernemingen het in het vorige lid beoogde bruto uurloon, voor inhouding van de persoonlijke sociale zekerheidsbijdrage, van minstens 13,75 euro (basisbedrag), betalen of toekennen, worden zij geacht een ploegenpremie als bedoeld in § 1, eerste lid te hebben betaald of toegekend.

Voor de ondernemingen bedoeld in het eerste lid wordt de vrijstelling bedoeld in paragraaf 1 bepaald op 3 % van het totaal van de belastbare bezoldigingen van al de betrokken werknemers samen.

In afwijking van paragraaf 1 geldt de vrijstelling van bedrijfsvoorheffing enkel voor de belastbare bezoldigingen van de werknemers die in ploegverband werken in onroerende staat verrichten op locatie.

De in het vorige lid bedoelde belastbare bezoldigingen, ploegenpremies inbegrepen, zijn de overeenkomstig artikel 31, tweede lid, 1° en 2°, vastgestelde belastbare bezoldigingen van de werknemers met uitsluiting van de premies, het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de achterstallige bezoldigingen.

De ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid die uitzendkrachten ter beschikking stellen van ondernemingen bedoeld in het eerste lid, zijn voor wat betreft de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing op de belastbare bezoldigingen van deze uitzendkrachten, gelijkgesteld met die ondernemingen.

Het in het eerste lid, derde streepje, en tweede lid vermelde bedrag is gekoppeld aan de afgevlakte gezondheidsindex als bedoeld in artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van `s lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen voor de maand september 2017 (103,42). Op 1 januari van elk jaar wordt dat bedrag, desgevallend verhoogd bij toepassing van het achtste lid, aangepast door het te vermenigvuldigen met het cijfer van de afgevlakte gezondheidsindex voor de maand september van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het nieuwe bedrag van toepassing zal zijn en gedeeld door het cijfer van de afgevlakte gezondheidsindex voor de maand september 2017. Het aldus bekomen bedrag wordt afgerond tot de hogere of lagere eurocent naargelang het cijfer van de duizendsten al dan niet 5 bereikt.

De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het in het eerste lid, derde streepje, en tweede lid vermelde bedrag, verhogen. Die verhoging mag telkens niet meer bedragen dan 10 % van het in het eerste lid, derde streepje en tweede lid vermelde bedrag, desgevallend na toepassing van reeds in uitvoering van dit lid toegepaste verhogingen die overeenkomstig het volgende lid zijn bekrachtigd.

De Koning zal bij de Kamer van volksvertegenwoordigers, onmiddellijk indien ze in zitting is, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van de ter uitvoering van het vorige lid genomen besluiten. Deze besluiten worden geacht geen uitwerking te hebben gehad indien ze niet bij wet zijn bekrachtigd binnen twaalf maanden na de datum van hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

Vanaf 1 januari 2019 bedraagt het percentage bedoeld in het derde lid 6 % en vanaf 1 januari 2020 bedraagt het percentage 18 %.

§ 6. De Koning bepaalt de formaliteiten die moeten worden vervuld voor de toepassing van dit artikel. Hij bepaalt inzonderheid de nadere regels en modaliteiten voor het indienen van de in paragraaf 4, zevende lid, bedoelde verklaring.