Artikel 2, WIB 92
Art. 2, § 4, tweede lid, is van toepassing op de vanaf 07.04.1995 uitgegeven aandelen en onderschreven contracten (art. 2 en 9, W 20.03.1996 - B.S. 07.05.1996; Numac: 1996003239)
§ 1. Voor de toepassing van dit Wetboek, van de bijzondere wetsbepalingen op het stuk van de inkomstenbelastingen en van de tot uitvoering ervan genomen besluiten gelden de hierna in dit artikel opgenomen definities.
§ 2.
1° Vennootschap: enigerlei vennootschap, vereniging, inrichting of instelling die, regelmatig is opgericht, rechtspersoonlijkheid bezit en een onderneming exploiteert of zich bezighoudt met verrichtingen van winstgevende aard.
Lichamen met rechtspersoonlijkheid die naar Belgisch recht zijn opgericht en voor de toepassing van de inkomstenbelastingen worden geacht geen rechtspersoonlijkheid te bezitten, worden niet als vennootschappen aangemerkt.
2° Binnenlandse vennootschappen: vennootschappen die in Belgie hun maatschappelijke zetel, hun voornaamste inrichting of hun zetel van bestuur of beheer hebben en niet van de vennootschapsbelasting zijn uitgesloten.
3° Kapitaalvennootschappen:
a) naamloze vennootschappen en commanditaire vennootschappen op aandelen;
b) vennootschappen die naar Belgisch recht op een andere wijze dan in een van de vormen bepaald in het Wetboek van Koophandel zijn opgericht;
c) naar buitenlands recht opgerichte vennootschappen waarvan de rechtsvorm met een van de in a of b vermelde rechtsvormen kan worden gelijkgesteld.
4° Personenvennootschappen:
a) vennootschappen die zijn opgericht in een van de vormen bepaald in het Wetboek van Koophandel en geen kapitaalvennootschappen zijn;
b) naar buitenlands recht opgerichte vennootschappen waarvan de rechtsvorm met een rechtsvorm als bedoeld in a kan worden gelijkgesteld.
5° Buitenlandse vennootschap: enigerlei vennootschap die in Belgie geen maatschappelijke zetel, voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer heeft.
§ 3. Kinderen: afstammelingen van de belastingplichtige en van zijn echtgenoot, alsmede de kinderen die hij volledig of hoofdzakelijk ten laste heeft.
§ 4. Vastrentende effecten: obligaties, kasbons en andere soortgelijke effecten, met inbegrip van effecten waarvan de inkomsten worden gekapitaliseerd of van effecten die geen aanleiding geven tot een periodieke uitbetaling van inkomsten en zijn uitgegeven met een disconto dat overeenstemt met de tot op de vervaldag van het effect gekapitaliseerde interest.
Als vastrentende effecten worden eveneens aangemerkt, de contracten met betrekking tot kapitalisatieverrichtingen waarbij als tegenprestatie voor éénmalige of periodieke stortingen, verbintenissen worden aangegaan los van onzekere gebeurtenissen uit het menselijk leven, en waarvan de duur het bedrag vervat zijn in de bedingen van het contract.
§ 5. Gestort kapitaal: het werkelijk gestorte maatschappelijk kapitaal zoals het geldt ter zake van de vennootschapsbelasting.
§ 6. Gerevaloriseerde waarde: de waarde van de goederen die worden gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid en van het gestorte kapitaal, na herwaardering van de aanschaffings- of beleggingswaarde van die goederen of van het kapitaal met toepassing van de hierna vermelde coefficienten volgens het jaar waarin, naar het geval, in die goederen is belegd of het kapitaal is gestort, verminderd of terugbetaald:
| Jaren | Toepasselijke coëfficiënten |
| 1918 en vorige | 16,33 |
| 1919 | 11,49 |
| 1920 | 6,15 |
| 1921 | 6,30 |
| 1922 | 6,43 |
| 1923 | 4,37 |
| 1924 | 3,89 |
| 1925 | 4,02 |
| 1926 | 2,72 |
| 1927 tot 1934 inbegrepen | 2,35 |
| 1935 | 1,86 |
| 1936 tot 1943 inbegrepen | 1,70 |
| 1944 tot 1948 inbegrepen | 1,14 |
| 1949 | 1,10 |
| 1950 en volgende | 1,0 |
§ 7. De uitdrukkingen "immateriele, materiele of financiele vaste activa", "oprichtingskosten" en "voorraden en bestellingen in uitvoering" hebben de betekenis die daaraan wordt toegekend door de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen.
