Artikel 351, WIB 92
Art. 351 treedt in werking op 01.01.2025 (art. 33 en 219, 1ste lid, W 26.01.2021 - B.S. 10.02.2021; Numac: 2021040269)
[De wet van 26 januari 2021 betreffende de dematerialisatie van de relaties tussen de Federale Overheidsdienst Financiën, de burgers, rechtspersonen en bepaalde derden en tot wijziging van diverse fiscale wetboeken en wetten, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 12 maart 2023, wordt opgeheven (art. 213, W 12.05.2024 - B.S. 30.05.2024; Numac: 2024003880)]
De administratie kan de aanslag ambtshalve vestigen op het bedrag van de belastbare inkomsten die zij kan vermoeden op grond van de gegevens waarover zij beschikt, in de gevallen waarin de belastingplichtige nagelaten heeft:
- ofwel een aangifte te doen binnen de termijnen bedoeld in de artikelen 307 tot 311 of in de bepalingen genomen ter uitvoering van artikel 312;
- ofwel aan de vormgebreken waarmede de aangifte is aangetast binnen de daarvoor toegestane termijn, te verhelpen;
- ofwel de in artikel 315 vermelde boeken, bescheiden en registers of de in artikel 315bis bedoelde dossiers, dragers of gegevens over te leggen;
- ofwel de op grond van artikel 316 gevraagde inlichtingen binnen de termijn te verstrekken;
- ofwel binnen de in artikel 346 gestelde termijn te antwoorden op het erin bedoelde bericht.
Voor de aanslag ambtshalve wordt gevestigd, geeft de administratie met een aangetekende zending, door middel van het in artikel 304ter, tweede lid, bedoelde beveiligd elektronisch platform aan de belastingplichtige kennis van de redenen waarom zij van die procedure gebruik maakt, van het bedrag van de inkomsten en andere gegevens waarop de aanslag zal steunen, alsmede van de wijze waarop die inkomsten en gegevens zijn vastgesteld.
Behalve in de laatste eventualiteit bedoeld in het eerste lid of indien de rechten van de Schatkist in gevaar verkeren ingevolge een andere oorzaak dan het verstrijken van de aanslagtermijnen of nog indien het gaat om roerende voorheffing of bedrijfsvoorheffing, wordt aan de belastingplichtige een termijn van een maand te rekenen vanaf de eerste werkdag volgend op de datum waarop de kennisgeving door middel van het in artikel 304ter, tweede lid, bedoelde beveiligd elektronisch platform aan de belastingplichtige is ter beschikking gesteld toegestaan om zijn opmerkingen schriftelijk in te brengen en mag de aanslag niet vóór het verstrijken van die termijn worden gevestigd.
Wanneer de belastingplichtige overeenkomstig artikel 304quater, § 2, eerste lid, is vrijgesteld van de verplichting om het in artikel 304ter, tweede lid, bedoelde beveiligd elektronisch platform te gebruiken en hij niet gekozen heeft om langs elektronische weg te communiceren of wanneer overeenkomstig artikel 304quater, § 3, de identificatie van de belastingplichtige bij dit beveiligd platform niet mogelijk is, wordt de in het tweede lid bedoelde kennisgeving verstuurd per aangetekende zending onder gesloten omslag. In dat geval vangt de in het derde lid bedoelde termijn aan vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het bericht.
