Artikel 358, WIB 92
Art. 358 is van toepassing vanaf aanslagjaar 1992 (art. 263, WIB; art. 1, KB 10.04.1992 - B.S. 30.07.1992; Numac: 1992003456; art. 72 en 91, 2de lid, W 06.07.1994 - B.S. 16.07.1994; Numac: 1994003443)
§ 1. De belasting of de aanvullende belasting mag worden gevestigd, zelfs nadat de in artikel 354 bedoelde bepaalde termijn is verstreken ingeval:
1° een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de inkomstenbelastingen ten name van een welbepaalde belastingplichtige uitwijst, dat die belastingplichtige de bepalingen van dit Wetboek of van ter uitvoering ervan genomen besluiten inzake roerende voorheffing of bedrijfsvoorheffing heeft overtreden, in de loop van één der vijf jaren vóór het jaar van de vaststelling van de inbreuk;
2° een controle of een onderzoek door de bevoegde autoriteit van een land, waarmee België een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting heeft gesloten, in verband met een belasting waarop die overeenkomst van toepassing is, uitwijst dat belastbare inkomsten in België niet werden aangegeven in de loop van één der vijf jaren vóór het jaar waarin de resultaten van die controle of dat onderzoek ter kennis van de Belgische administratie werd gebracht;
3° een rechtsvordering uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in één der vijf jaren vóór het jaar waarin de vordering is ingesteld;
4° bewijskrachtige gegevens uitwijzen dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in de loop van één der vijf jaren vóór het jaar waarin de Administratie kennis krijgt van die gegevens.
§ 2. In die gevallen moet de belasting of de aanvullende belasting worden gevestigd binnen de twaalf maanden te rekenen vanaf de datum:
1° waarop de in § 1, 1°, bedoelde inbreuk werd vastgesteld;
2° waarop de Belgische administratie kennis draagt van de resultaten van de controle of het onderzoek genoemd in § 1, 2°;
3° waarop tegen de beslissing over de in § 1, 3°, genoemde rechtsvordering geen verzet of voorziening meer kan worden ingediend;
4° waarop de Administratie kennis krijgt van de in § 1, 4°, vermelde bewijskrachtige gegevens.
