Artikel 375, WIB 92
Art. 375, § 1, eerste en tweede lid, en § 1/1, treedt in werking op 01.01.2020 (art. 40 en 139, 1ste lid, W 13.04.2019 - B.S. 30.04.2019; Numac: 2019041000)
[De Koning kan voor iedere categorie van schuldvordering een vroegere datum van inwerkingtreding bepalen (art. 139, 2de lid, W 13.04.2019 - B.S. 30.04.2019; Numac: 2019041000)]
§ 1. De adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar doet, als administratieve overheid, uitspraak bij met redenen omklede beslissing nopens de bezwaren aangevoerd door de belastingschuldige, door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of door de medeschuldenaar zoals bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen.
Hij kan evenwel de aanslag vernietigen of een ontheffing verlenen voortkomende uit het geheel of ten dele aanvaarden van de bezwaren aangevoerd door de belastingschuldige, door de echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of door de medeschuldenaar zoals bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, door middel van de registratie, op naam van de betrokken belastingplichtige, van het ontheven of vernietigd bedrag in een kohier dat uitvoerbaar wordt verklaard.
In alle gevallen geschiedt de kennisgeving van de beslissing bij ter post aangetekende brief. Deze beslissing is onherroepelijk wanneer geen vordering is ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg binnen de in artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek vermelde termijn.
§ 1/1. In afwijking van paragraaf 1 kan de belastingschuldige, de echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of door de medeschuldenaar zoals bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, de adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar schriftelijk en gemotiveerd verzoeken zijn beslissing recht te zetten. Het verzoek dient te worden ingediend binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de verzending van de kennisgeving van de beslissing over het bezwaarschrift. Het verzoek is onontvankelijk wanneer de belastingschuldige voorafgaand aan het verzoek tot rechtzetting een vordering bij de rechtbank van eerste aanleg heeft ingesteld.
De adviseur-generaal of zijn gedelegeerde kan de in paragraaf 1 genomen beslissing geheel of gedeeltelijk rechtzetten. Hij doet tevens gemotiveerd uitspraak over de aangevoerde grieven tegen de in paragraaf 1 genomen beslissing.
De kennisgeving van de met rede omklede beslissing genomen bij toepassing van het tweede lid geschiedt bij ter post aangetekende brief. De beslissing is onherroepelijk wanneer geen vordering is ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg binnen de in artikel 1385undecies, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek vermelde termijn.
§ 2. Het is hem niet toegelaten bij zijn beslissing een aanvullende aanslag te vestigen, noch de compensatie te verwezenlijken tussen een rechtmatig bevonden ontheffing en een ontoereikendheid van aanslag die zou zijn vastgesteld.
