Artikel 388, WIB 92
Art. 388 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992 (art. 289, WIB; art. 1, KB 10.04.1992 - B.S. 30.07.1992; Numac: 1992003456)
De voorziening geschiedt bij een tot het Hof van cassatie gericht verzoekschrift dat, op straffe van nietigheid, een bondige uiteenzetting van de middelen en de aanduiding van de geschonden wetten bevat. Wanneer het verzoekschrift voor de eiser werd ondertekend en neergelegd door een advokaat, dan moet deze laatste zijn volmacht niet bewijzen.
Het verzoekschrift, dat vooraf aan de verweerder werd betekend en het exploot van de betekening worden ter griffie van het hof van beroep afgegeven binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de kennisgeving van het arrest, bij een ter post aangetekende brief door de griffie aan de in bedoeld arrest opgegeven woonplaats gedaan, een en ander op straffe van verval.
Het verzoekschrift, het exploot van betekening, alsmede de stukken die de eiser er eventueel zou aan toegevoegd hebben, het proceduredossier alsmede alle andere met de betwisting verband houdende stukken die ter griffie liggen van het hof van beroep, worden onmiddellijk aan de griffie van het Hof van cassatie toegezonden met een eensluidend verklaard afschrift van de ter zake genomen beslissingen.
