Artikel 39, WIB 92
Art. 39 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992 (art. 32bis, 3de en 4de lid, WIB; art. 1, KB 10.04.1992 - B.S. 30.07.1992; Numac: 1992003456)
Pensioenen, renten, kapitalen, spaartegoeden en afkoopwaarden zijn vrijgesteld:
1° indien en in zover zij zijn gevormd volgens de techniek van de aan de levensverzekering eigen individuele kapitalisatie en door bijdragen gestort vóór 1 januari 1950;
2° indien de belastingplichtige of de persoon wiens rechtverkrijgende hij is het levensverzekeringscontract individueel heeft gesloten en:
a) geen vrijstelling of belastingvermindering is toegepast overeenkomstig bepalingen die vóór het aanslagjaar 1990 van toepassing waren, en de in artikel 81, 1° en 2°, vermelde aftrekken niet zijn verleend;
b) de vrijstelling krachtens artikel 15, eerste lid, van de wet van 13 juli 1959 is geweigerd;
c) van de vrijstelling overeenkomstig artikel 15, tweede lid, van de voormelde wet of overeenkomstig artikel 508 afstand is gedaan;
3° indien zij voortkomen uit een spaarrekening of uit een spaarverzekeringscontract waarvoor geen aftrek van de stortingen is verkregen ingevolge artikel 104, eerste lid, 10°.
