Artikel 402, WIB 92

Art. 402 is van toepassing vanaf 01.01.1999 (art. 6 en 13, 1ste lid, KB 26.12.1998 - B.S. 31.12.1998; Numac: 1998022867)

§ 1. De opdrachtgever die voor de in artikel 400, 1°, vermelde werken een beroep doet op een aannemer die niet is geregistreerd op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst, is hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de belastingschulden van zijn medecontractant.

§ 2. De aannemer die, voor de in artikel 400, 1°, vermelde werken een beroep doet op een onderaannemer die niet geregistreerd is op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst, is hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de belastingschulden van zijn medecontractant.

Wanneer daarenboven voor de in artikel 400, 1°, vermelde werken een beroep is gedaan op een of meerdere onderaannemers die niet geregistreerd zijn op het ogenblik van het afsluiten van de hen betreffende overeenkomst, is elke aannemer, hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de belastingschulden van elke niet geregistreerde onderaannemer die tussenkomst in de uitvoering van de werken die aan die aannemer zijn toevertrouwd.

§ 3. Onder voorbehoud van de in § 4 vermelde bepalingen, zijn de artikelen 1200 tot en met 1216 van het Burgerlijk Wetboek toepasselijk op de in de §§ 1 en 2 bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid.

§ 4. De in § 2, tweede lid, vermelde aansprakelijkheid, wordt in de eerste plaats toegepast in hoofde van de aannemer die een beroep heeft gedaan op de niet geregistreerde onderaannemer.

Ze wordt in chronologische volgorde toegepast ten opzichte van de in een voorafgaand stadium tussenkomende aannemers, als de in het eerste lid, vermelde aannemer nagelaten heeft de schulden van de niet geregistreerde onderaannemer binnen dertig dagen na de betekening van een dwangbevel te vereffenen.

§ 5. De hoofdelijke aansprakelijkheid wordt beperkt tot 35 % van de totale prijs van de werken toevertrouwd aan de niet geregistreerde aannemer of onderaannemer, exclusief belasting over de toegevoegde waarde.

Zij kan worden aangewend voor de betaling in hoofdsom, verhogingen, kosten en interesten, ongeacht hun datum van vestiging, van:

1° alle schulden inzake directe en met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen op de inkomsten met betrekking tot de belastbare tijdperken tijdens dewelke de betrokken werken zijn uitgevoerd en de voorafgaande belastbare tijdperken;

2° alle schulden inzake voorheffingen met betrekking tot de periodes tijdens dewelke de werken zijn uitgevoerd en de voorafgaande periodes;

3° de buitenlandse belastingschuldvorderingen waarvoor in het kader van een internationale overeenkomst de invorderingsbijstand is gevraagd.

§ 6. De in dit artikel vermelde hoofdelijke aansprakelijkheid geldt ook voor de belastingschulden van de niet geregistreerde vennoten van een tijdelijke vereniging of vereniging in deelneming die optreedt als aannemer of onderaannemer.