Artikel 413, WIB 92

Art. 413, nieuw tweede lid, is van toepassing op de aanslagbiljetten die betrekking hebben op aanslagjaar 2013 en volgende (art. 34 en 36, 1ste lid, W 17.06.2013 - B.S. 28.06.2013; Numac: 2013003202)

[Covid-19. Inwerkingtreding: 01.03.2020

In afwijking van artikel 413, eerste lid, vervangen bij de wet van 15 maart 1999 en tweede lid, ingevoegd bij de wet van 17 juni 2013 van hetzelfde Wetboek, wordt, met uitzondering van de onroerende voorheffing, de betalingstermijn verlengd met twee maanden voor het aanslagjaar 2019 voor de inkomstenbelastingen opgenomen in een kohier uitvoerbaar verklaard tussen 12 maart 2020 en 31 oktober 2020.

Het eerste lid raakt niet aan de toepassing van artikel 413, derde en vierde lid, van hetzelfde Wetboek.

(art. 4 en 16, Bijzondere-machtenbesluit nr. 7, 19.04.2020 - B.S. 24.04.2020; Numac: 2020030729)]


De krachtens artikel 304 ten kohiere gebrachte directe belastingen en onroerende voorheffing zijn opeisbaar op de datum van uitvoerbaarverklaring van het kohier. Zij moeten betaald worden binnen twee maanden na de toezending van het aanslagbiljet.

In het in artikel 302, tweede lid, bedoelde geval moet de belasting worden betaald binnen twee maanden na de datum waarop het aanslagbiljet door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt aan de belastingplichtige werd aangeboden.

De belastingen en de voorheffingen moeten over hun geheel onverwijld worden vereffend wanneer de rechten van de Schatkist in het gedrang komen.

Wanneer de belastingschuldige betwist dat de rechten van de Schatkist in gevaar verkeren, wordt er over de betwisting uitspraak gedaan zoals in kort geding, door de beslagrechter van de plaats van het kantoor waar de belasting moet worden geïnd.