Artikel 420, WIB 92

Art. 420, § 1, eerste lid, is van toepassing vanaf 16.05.2016 (art. 23, W 27.04.2016 - B.S. 06.05.2016; Numac: 2016003144)

§ 1. Bij gemotiveerde beslissing van de adviseur-generaal van de administratie belast met de inning en de invordering van de inkomstenbelastingen kan een zakelijke zekerheid of een persoonlijke borgstelling worden geëist van elke natuurlijke of rechtspersoon die onderworpen is aan één van de inkomstenbelastingen, als genieter van winst of baten alsmede van elke natuurlijke of rechtspersoon, schuldenaar van een roerende voorheffing of een bedrijfsvoorheffing, wanneer de venale waarde van zijn in België gelegen goederen die het pand van de Schatkist vormen, na aftrek van de schulden en lasten die ze bezwaren, ontoereikend is om het bedrag te dekken dat vermoedelijk voor één jaar zal verschuldigd zijn krachtens dit Wetboek.

De Koning bepaalt de gegevens die als grondslag dienen voor de bepaling van de bedragen van de zakelijke zekerheid en van de verbintenis van de persoonlijke borg, alsook de voorwaarden en de modaliteiten van vaststelling.

§ 2. Binnen de maand na de kennisgeving van de beslissing als vermeld in § 1 kan de belastingschuldige een verhaal inleiden voor de beslagrechter van de plaats waar hij hoofdzakelijk de activiteit, die aanleiding geeft tot de inkomsten, uitoefent of voornemens is uit te oefenen of voor de beslagrechter van de plaats waar het kantoor is gevestigd die de voorheffing moet innen, wanneer de waarborg slechts wordt geëist wegens het verschuldigd zijn van bedrijfsvoorheffing of van roerende voorheffing.

De rechtspleging geschiedt zoals in kort geding.