Artikel 64ter, WIB 92
Art. 64ter, eerste lid, 1° (hersteld), treedt in werking op 01.01.2024 en is van toepassing vanaf aanslagjaar 2025 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 01.01.2024 (art. 4, 1°, en 6, 3de lid, W 06.02.2024 - B.S. 20.02.2024; Numac: 2024001635)
[De inwerkingtreding van deze wet is afhankelijk van het verkrijgen, door het Koninkrijk België, van de machtiging van de Raad van de Europese Unie, op grond van artikel 395 van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, om de verplichting in te voeren om gestructureerde elektronische facturen uit te reiken onder de in deze wet gestelde voorwaarden (art. 6, 2de lid, W 06.02.2024 - B.S. 20.02.2024; Numac: 2024001635)]
Zijn ten belope van 120 % aftrekbaar:
1° de kosten, met uitzondering van deze die bestaan uit afschrijvingen, verbonden aan factureringspakketten voor het opstellen, verzenden en ontvangen van elektronische facturen in een gestructureerde vorm die automatische en elektronische verwerking ervan mogelijk maakt in het kader van de verplichtingen opgelegd overeenkomstig de wet van 6 februari 2024 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wat de invoering van de verplichting tot elektronische facturering betreft;
2° de volgende kosten die zijn gedaan of gedragen inzake beveiliging:
a) de abonnementskosten voor de aansluiting op een vergunde alarmcentrale voor het beheer van alarmen afkomstig van systemen geïnstalleerd in onroerende goederen teneinde misdrijven tegen personen of goederen te voorkomen of tegen te gaan;
b) de kosten met betrekking tot het beroep doen op een vergunde bewakingsonderneming voor het verrichten van beveiligd vervoer als bedoeld in artikel 8, § 1, 2°, van het koninklijk besluit van 7 april 2003 houdende regeling van bepaalde methodes bij het toezicht op en de bescherming bij het vervoer van waarden en betreffende de technische kenmerken van de voertuigen voor waardevervoer;
c) de kosten met betrekking tot het gezamenlijk beroep doen door een groep van ondernemingen op een vergunde bewakingsonderneming voor de uitvoering van bewakingsopdrachten met betrekking tot het toezicht op en bescherming van roerende en onroerende goederen.
3° de kosten die specifiek zijn gedaan of gedragen om het gebruik van het rijwiel of de speed pedelec als bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 14°, a, door de personeelsleden voor hun verplaatsingen tussen hun woonplaats en hun plaats van tewerkstelling aan te moedigen in de mate dat deze gedaan of gedragen zijn om:
a) een onroerend goed te verwerven, te bouwen of te verbouwen dat bestemd is voor het stallen van rijwielen of speed pedelecs als bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 14°, a, tijdens de werkuren van de personeelsleden of voor het ter beschikking stellen van die personeelsleden van een kleedruimte of sanitair, al dan niet met douches;
b) rijwielen of speed pedelecs als bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 14°, a, en hun toebehoren te verwerven, te onderhouden en te herstellen die ter beschikking gesteld worden van de personeelsleden.
Wanneer de in het eerste lid, 3°, bedoelde kosten bestaan uit afschrijvingen van de in het eerste lid, 3°, bedoelde materiële vaste activa, wordt het aftrekbare bedrag per belastbaar tijdperk bekomen door het normale bedrag van de afschrijvingen van dat tijdperk met 20 % te verhogen. De in het eerste lid, 3°, b, bedoelde rijwielen of speed pedelecs als bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 14°, a, worden afgeschreven met vaste annuïteiten waarvan het aantal niet minder dan drie mag bedragen.
De afschrijvingen die overeenkomstig het derde lid worden aanvaard boven de aanschaffings- of beleggingswaarde van de in het eerste lid, 3°, bedoelde materiële vaste activa, komen niet in aanmerking voor het bepalen van de latere meerwaarden en minderwaarden op die materiële vaste activa.
