Artikel 67, WIB 92

Art. 67 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1997 (art. 2 en 3, W 27.10.1997 - B.S. 02.12.1997; Numac: 1997003632)


§ 1. Winst wordt vrijgesteld tot een bedrag van 400.000 frank per bijkomende aangeworven personeelseenheid die in België voltijds in een onderneming wordt tewerkgesteld voor:

1° het wetenschappelijk onderzoek;

2° de uitbouw van het technologisch potentieel van de onderneming;

3° een betrekking van diensthoofd voor de uitvoer;

4° een betrekking van diensthoofd van de afdeling Integrale kwaliteitszorg.

§ 2. Winst wordt eveneens vrijgesteld tot een bedrag van 400.000 frank in geval van tewerkstelling voor een in § 1, 3 en 4, vermelde betrekking van een personeelslid dat reeds voltijds de betrekking van diensthoofd in de onderneming uitoefende, op voorwaarde dat die onderneming zich ertoe verplicht uiterlijk binnen dertig dagen die volgen op de nieuwe tewerkstelling van het personeelslid, een nieuwe voltijdse werknemer aan te werven om de vrijgekomen betrekking in te nemen.

§ 3. Het in § 1 vermelde bedrag van 400.000 frank wordt verhoogd tot 800.000 frank indien de nieuw aangeworven persoon een hooggekwalificeerd onderzoeker is die in de onderneming in België voor wetenschappelijk onderzoek wordt tewerkgesteld.

§ 4. Wanneer een personeelslid niet meer voor het in § 1 bepaalde doel wordt tewerkgesteld, wordt het totale bedrag van de voorheen vrijgestelde winst verminderd ten belope van het vrijgestelde bedrag waarop deze persoon oorspronkelijk recht heeft gegeven.

In dat geval wordt de winst of het verlies van het belastbare tijdperk waarin het personeel niet meer wordt tewerkgesteld, naar gelang van het geval, vermeerderd of verminderd met dat bedrag.

§ 5. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit de kwalificaties die de personeelsleden, bedoeld in § 3, moeten bezitten en de werkzaamheden die ze moeten uitoefenen om recht te geven op een vrijstelling op basis van dit artikel.

Hij regelt eveneens de wijze van uitvoering van dit artikel.

§ 6. Wanneer de economische omstandigheden zulks rechtvaardigen kan de Koning de in de §§ 1 tot 3 vermelde bedragen verhogen.