Artikel 86, WIB 92

Art. 86 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992 (art. 63, WIB; art. 3, W 07.12.1988; art. 1, KB 10.04.1992 - B.S. 30.07.1992; Numac: 1992003456)

[In afwijking van de artikelen 15 tot 35 van de Programmawet van 24.12.2002 (B.S. 31.12.2002) blijft, voor elk van de aanslagjaren 2004 tot 2006, artikel 86 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 van toepassing op de meewerkende echtgenoten:

  • die tijdens het belastbaar tijdperk geen beroepsactiviteit hebben uitgeoefend waardoor zij eigen rechten openen op uitkeringen in een verplichte regeling voor pensioenen, kinderbijslagen en ziekte- en invaliditeitsverzekering die minstens gelijkwaardig zijn aan die van het sociaal statuut van zelfstandigen, noch een uitkering binnen het raam van de sociale zekerheid hebben genoten die voor hen dergelijke eigen rechten opent;
  • en die zich tijdens hetzelfde belastbaar tijdperk niet vrijwillig hebben onderworpen aan het sociaal statuut der zelfstandige overeenkomstig artikel 7bis, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen. In afwijking van de artikelen 15 tot 35 van de Programmawet van 24.12.2002 (B.S. 31.12.2002) blijft artikel 86 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 van toepassing op de meewerkende echtgenoten:
    • die geboren zijn voor 1 januari 1956;
    • en die, tijdens het belastbaar tijdperk, geen beroepsactiviteit hebben uitgeoefend, waardoor zij eigen rechten openen op uitkeringen in een verplichte regeling voor pensioenen, kinderbijslagen en ziekte- en invaliditeitsverzekering die minstens gelijkwaardig zijn aan die van het sociaal statuut van zelfstandigen, noch een uitkering binnen het raam van de sociale zekerheid hebben ontvangen die voor hen dergelijke eigen rechten openen;
    • en die zich tijdens hetzelfde belastbaar tijdperk niet vrijwillig hebben onderworpen aan het sociaal statuut der zelfstandige overeenkomstig artikel 7bis, § 3, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen]

Wanneer de aanslag op naam van beide echtgenoten wordt gevestigd mag een deel van de winst, de baten en de bezoldigingen van werkende vennoten als meewerkinkomen worden toegekend aan de echtgenoot die de andere echtgenoot in het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid werkelijk helpt en die uit hoofde van een afzonderlijke werkzaamheid tijdens het belastbare tijdperk zelf niet meer dan 350.000 frank aan beroepsinkomsten heeft verkregen.

Dat deel moet overeenstemmen met de normale bezoldiging van de prestaties van de meewerkende echtgenoot, doch mag niet hoger zijn dan 30 % van de inkomsten van de beroepswerkzaamheid die met de hulp van de echtgenoot wordt uitgeoefend, behoudens indien de prestaties van de meewerkende echtgenoot hem kennelijk recht geven op een groter deel.