Artikel 105, WIB 92
Art. 105, 2° en 3°, treedt in werking vanaf aanslagjaar 2013 (art. 9 en 39, 8ste lid, W 13.12.2012 - B.S. 20.12.2012; Numac: 2012003381)
Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, worden de aftrekken bedoeld in artikel 104 als volgt aangerekend:
1° eerst wordt bij elke belastingplichtige de aftrek waarop hij overeenkomstig artikel 104, 9°, recht heeft, aangerekend op zijn netto-inkomen. Wanneer echter beide belastingplichtigen bestedingen hebben gedaan die recht geven op de voormelde aftrek, wordt die aftrek aangerekend volgens de verdeling die de belastingplichtigen kiezen binnen de in artikel 115, § 1, eerste lid, 6°, en 116 bedoelde begrenzingen;
2° de in artikel 104, 1° en 2°, bedoelde uitgaven die door beide echtgenoten samen verschuldigd zijn, worden evenredig aangerekend op de totale netto-inkomens van beide echtgenoten;
3° de in artikel 104, 1° en 2°, bedoelde uitgaven die door één echtgenoot persoonlijk verschuldigd zijn, worden bij voorrang aangerekend op het totale netto-inkomen van die echtgenoot en het eventuele saldo wordt op het totale netto-inkomen van de andere echtgenoot aangerekend.
