Artikel 112, WIB 92

Met ingang van het aanslagjaar 2002 worden de in dit artikel opgenomen bedragen in euro uitgedrukt (art. 1, KB 20.07.2000 - B.S. 30.08.2000; Numac: 2000003467 - err. B.S. 08.03.2001; en art. 42, 5°, KB 13.07.2001 - B.S. 11.08.2001; Numac: 2001003362 - err. B.S. 21.12.2001)

§ 1. De in artikel 104, 6°, vermelde bezoldigingen van een huisbediende zijn aftrekbaar onder de volgende voorwaarden:

1° de bezoldigingen bedragen ten minste 2.450 euro (basisbedrag) per belastbaar tijdperk en zijn aan het stelsel van de sociale zekerheid onderworpen;

2° bij zijn indiensttreding is de huisbediende sedert ten minste 6 maanden gerechtigd tot uitkering als volledig werkloze of tot het bestaansminimum;

2° de in dienst getreden huisbediende voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 1, § 3, van het koninklijk besluit nr. 483 van 22 december 1986 tot vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgevers bij de indienstneming van dienstboden.

3° bij de indienstneming laat de belastingplichtige zich bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid als werkgever van huispersoneel inschrijven en de inschrijving is de eerste in die hoedanigheid sinds 1 januari 1980;

4° voor aftrek komen alleen de bezoldigingen van één huisbediende in aanmerking;

5° het bedrag van de aftrek is per belastbaar tijdperk niet hoger dan 5.000 euro (basisbedrag).

§ 2. De in § 1, 2° en 3°, bepaalde voorwaarden zijn niet van toepassing ingeval de belastingplichtige op 1 juli 1986 reeds sedert ten minste één jaar een huisbediende in dienst had.

§ 3. Na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst wordt de aftrek van de bezoldigingen van een huisbediende die voldoet aan de in § 1, 2°, gestelde voorwaarde verder toegestaan ingeval de belastingplichtige binnen 3 maanden een andere huisbediende in dienst neemt die aan dezelfde voorwaarden voldoet.