Artikel 133, WIB 92
Art. 133, tweede en derde lid, is van toepassing vanaf aanslagjaar 2018 (art. 65 en 71, W 26.03.2018 - B.S. 30.03.2018; Numac: 2018011490)
Het overeenkomstig artikel 131 bepaalde basisbedrag wordt bovendien verhoogd met de volgende toeslagen:
1° 870 euro (basisbedrag) voor een belastingplichtige die alleen wordt belast en:
- die één of meer kinderen ten laste heeft;
- aan wie bij toepassing van artikel 132bis de helft van de toeslagen op de belastingvrije som bedoeld in artikel 132, eerste lid, 1° tot 6°, wordt toegekend;
2° 870 euro (basisbedrag) wanneer voor het jaar van huwelijk of verklaring van de wettelijke samenwoning een aanslag per belastingplichtige wordt gevestigd en voor zover de echtgenoot tijdens het jaar geen bestaansmiddelen heeft gehad die meer dan 1.800 euro (basisbedrag) netto bedragen.
Het bedrag van de in het eerste lid, 1°, vermelde toeslag wordt verhoogd wanneer bijkomend aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:
- geen andere persoon dan de kinderen, ascendenten en zijverwanten tot en met de tweede graad van de belastingplichtige, en de personen van wie de belastingplichtige als kind volledig of hoofdzakelijk ten laste is geweest, maakt deel uit van het gezin van de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar;
- het belastbare inkomen van de belastingplichtige bedraagt minder dan 10.700 euro;
- de netto-beroepsinkomsten van de belastingplichtige zijn minstens gelijk aan 1.800 euro, waarbij geen rekening wordt gehouden met de werkloosheidsuitkeringen, pensioenen en afzonderlijk belastbare inkomsten.
De in het vorige lid bedoelde bijkomende toeslag is gelijk aan:
- wanneer het belastbare inkomen van de belastingplichtige 8.445 euro bedraagt of minder: 565 euro;
- wanneer het belastbaar inkomen van de belastingplichtige meer bedraagt dan 8.445 euro: 565 euro vermenigvuldigd met een breuk met als teller het verschil tussen 10.700 euro en het belastbare inkomen en met als noemer het verschil tussen 10.700 euro en 8.445 euro.
Het eerste lid, 1°, is niet van toepassing op de gevallen bedoeld in artikel 126, § 2, eerste lid, 4°.
