Artikel 195, WIB 92

Art. 195, § 2, is van toepassing op de bijdragen en premies, andere dan die zijn betaald in uitvoering van individuele toezeggingen, die zijn betaald vanaf 01.01.2004 (art. 87, W 28.04.2003 - B.S. 15.05.2003; Numac: 2003022481 - err. B.S. 26.05.2003; inwerkingtreding: art. 23, § 3, A, 3°, KB 14.11.2003 - B.S. 14.11.2003; Numac: 2003023006)

§ 1. Bedrijfsleiders worden voor de toepassing van de bepalingen inzake beroepskosten met werknemers gelijkgesteld en hun bezoldigingen en de ermede verband houdende sociale lasten worden als beroepskosten aangemerkt.

Stortingen van sociale verzekering of voorzorg, zomede de in artikel 52, 3°, b, vermelde bijdragen voor aanvullende verzekering zijn slechts aftrekbaar in zover zij betrekking hebben op bezoldigingen die regelmatig en ten minste om de maand worden betaald of toegekend vóór het einde van het belastbare tijdperk waarin de ertoe aanleiding gevende bezoldigde werkzaamheden zijn verricht en mits zij door de vennootschap op de resultaten van dat tijdperk worden aangerekend.

§ 2. Behalve indien de overeenkomsten enkel voorzien in voordelen bij overlijden, worden de premies van levensverzekeringen betreffende overeenkomsten die in het voordeel van de onderneming zijn gesloten, met de in § 1, tweede lid, vermelde bijdragen gelijkgesteld en zijn zij slechts aftrekbaar, onder de voorwaarden en binnen de begrenzing die dienaangaande is vastgesteld in deze titel, indien deze overeenkomsten werden gesloten op het hoofd van een bedrijfsleider als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, en tewerkgesteld zonder dienstverband.

Om het aftrekbare deel van de premies te bepalen, komen uitsluitend de in § 1, tweede lid, omschreven bezoldigingen in aanmerking.