Artikel 19bis, WIB 92
Art. 19bis, § 2, is van toepassing vanaf 01.07.2006 (art. 117, progW 27.12.2005 - B.S. 30.12.2005; Numac: 2005021182 – err. B.S. 20.03.2006)
§ 1. Interest omvat eveneens de rentecomponent in het bedrag verkregen ingeval van inkoop van eigen rechten van deelneming of ingeval van gehele of gedeeltelijke verdeling van het eigen vermogen van een collectieve beleggingsinstelling in effecten waarvan meer dan 40 % van het vermogen rechtstreeks of onrechtstreeks is belegd in schuldvorderingen, voor zover deze rentecomponent betrekking heeft op de periode gedurende dewelke de verkrijger houder was van de rechten van deelneming. Indien de verkrijger de rechten van deelneming vóór 1 juli 2005 heeft verworven, of indien hij de datum van verwerving niet aantoont, wordt hij evenwel geacht houder te zijn geweest vanaf 1 juli 2005.
Deze verrichtingen zijn slechts belastbaar indien ze betrekking hebben op rechten van deelneming van een collectieve beleggingsinstelling in effecten waarvoor de statuten of het fondsreglement geen uitkering van de netto-opbrengst voorzien.
Een collectieve beleggingsinstelling waarvan de statuten niet de jaarlijkse uitkering voorzien van het geheel van de inkomsten uit interesten die werden verkregen, na aftrek van de proportioneel daarmee verband houdende bezoldigingen, commissies en kosten, wordt voor de toepassing van het vorige lid geacht geen uitkering van de netto-opbrengst te voorzien.
Onder rentecomponent wordt verstaan het gedeelte van de inkomsten van schuldvorderingen van de collectieve beleggingsinstelling in effecten dat rechtstreeks of onrechtstreeks afkomstig is van interestbetalingen als bedoeld in artikel 3, § 1, 7°, a) en b), van de wet van 17 mei 2004 tot omzetting in het Belgische recht van de richtlijn 2003/48/EG van 3 juni 2003 van de Raad van de Europese Unie betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling en tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de roerende voorheffing.
Onder schuldvorderingen worden verstaan de schuldvorderingen bedoeld in artikel 3, § 1, 7°, a), van voormelde wet van 17 mei 2004, met uitsluiting van die bedoeld in artikel 6 van dezelfde wet.
Onder collectieve beleggingsinstellingen in effecten in de zin van deze bepaling, wordt verstaan de in artikel 3, § 1, 4°, van de voormelde wet van 17 mei 2004 bedoelde instellingen en de collectieve beleggingsinstellingen gevestigd buiten het grondgebied waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap krachtens zijn artikel 299 van toepassing is.
Het in het eerste lid bedoelde percentage van 40 % wordt bepaald aan de hand van de beleggingspolitiek zoals die in het fondsreglement of de statuten van de betrokken instelling is neergelegd en, bij ontstentenis daarvan, op basis van de feitelijke samenstelling van de beleggingsportefeuille van de instelling.
Bij gebrek aan informatie over het voormelde percentage van het vermogen van de collectieve beleggingsinstelling in effecten dat is belegd in schuldvorderingen, wordt dit percentage geacht meer dan 40 % te bedragen.
§ 2. Wanneer de collectieve beleggingsinstelling in effecten of de door haar aangestelde niet in de mogelijkheid is om de rentecomponent te bepalen, is het belastbare bedrag van de inkomsten gelijk aan het bedrag dat overeenstemt met de kapitalisatie gedurende de bezitsperiode van de verkrijger van de inkomsten, van de interest berekend tegen een door de Koning bepaald percentage per jaar op de inventariswaarde van de rechten van deelneming op de datum van aanschaffing.
Wanneer het gaat om rechten van deelneming verworven vóór 1 juli 2005, of indien de datum van verwerving niet wordt aangetoond, geldt de inventariswaarde op 1 juli 2005 als aanschaffings- of beleggingswaarde voor de toepassing van deze paragraaf.
