Artikel 19bis, WIB 92

Art. 19 bis, § 1, eerste, derde en vierde lid, en § 2, eerste lid, is van toepassing vanaf 01.01.2008 (art. 119 en 120, progW 27.12.2005 - B.S. 30.12.2005; Numac: 2005021182 – err. B.S. 20.03.2006)

[De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad artikel 119, progW 27.12.2005 opheffen; dit besluit verliest alle uitwerking zo het uiterlijk twaalf maanden na de datum van de inwerkingtreding ervan, niet bij wet wordt bekrachtigd; de bekrachtiging heeft terugwerkende kracht tot de datum van inwerkingtreding van het besluit]


§ 1. Interest omvat eveneens de inkomsten in het bedrag verkregen ingeval van inkoop van eigen rechten van deelneming of ingeval van gehele of gedeeltelijke verdeling van het eigen vermogen van een collectieve beleggingsinstelling in effecten waarvan meer dan 40 % van het vermogen rechtstreeks of onrechtstreeks is belegd in schuldvorderingen, voor zover deze inkomsten betrekking hebben op de periode gedurende dewelke de verkrijger houder was van de rechten van deelneming. Indien de verkrijger de rechten van deelneming vóór 1 juli 2005 heeft verworven, of indien hij de datum van verwerving niet aantoont, wordt hij evenwel geacht houder te zijn geweest vanaf 1 juli 2005.

Deze verrichtingen zijn slechts belastbaar indien ze betrekking hebben op rechten van deelneming van een collectieve beleggingsinstelling in effecten waarvoor de statuten of het fondsreglement geen uitkering van de netto-opbrengst voorzien.

Een collectieve beleggingsinstelling waarvan de statuten niet de jaarlijkse uitkering voorzien van alle inkomsten die werden verkregen, na aftrek van de bezoldigingen, commissies en kosten, wordt voor de toepassing van het vorige lid geacht geen uitkering van de netto-opbrengst te voorzien.

Het belastbaar bedrag van de inkomsten bedoeld in het eerste lid is gelijk aan het geheel van de inkomsten die rechtstreeks of onrechtstreeks, onder de vorm van interesten, meerwaarden of minderwaarden voortkomen van de opbrengsten uit activa die werden belegd in schuldvorderingen bedoeld in artikel 3, § 1, 7°, a), van de voornoemde wet van 17 mei 2004, wanneer de beheerder van de collectieve beleggingsinstelling in staat is dat gedeelte vast te stellen in het bedrag dat voortvloeit uit het verschil tussen het bij de verrichting verkregen bedrag en de aanschaffings- of beleggingswaarde van de aandelen of bewijzen van deelneming.

Onder schuldvorderingen worden verstaan de schuldvorderingen bedoeld in artikel 3, § 1, 7°, a), van voormelde wet van 17 mei 2004.

Onder collectieve beleggingsinstellingen in effecten in de zin van deze bepaling, wordt verstaan elke instelling voor collectieve belegging naar Belgisch recht of buitenlands recht met een veranderlijk aantal rechten van deelneming die de financiële middelen die ze inzamelt, belegt in één van de categorieën van beleggingen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, 1° of 2°, van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles.

Het in het eerste lid bedoelde percentage van 40 % wordt bepaald aan de hand van de beleggingspolitiek zoals die in het fondsreglement of de statuten van de betrokken instelling is neergelegd en, bij ontstentenis daarvan, op basis van de feitelijke samenstelling van de beleggingsportefeuille van de instelling.

Bij gebrek aan informatie over het voormelde percentage van het vermogen van de collectieve beleggingsinstelling in effecten dat is belegd in schuldvorderingen, wordt dit percentage geacht meer dan 40 % te bedragen.

§ 2. Wanneer de beheerder niet in de mogelijkheid is om dat gedeelte te bepalen, is het belastbaar bedrag van de inkomsten gelijk aan het verschil tussen het bij de verrichting ontvangen bedrag en de aanschaffings- of beleggingswaarde van de aandelen of bewijzen van deelneming vermenigvuldigd met het percentage van het vermogen van de collectieve beleggingsinstelling in effecten dat belegd is in schuldvorderingen bedoeld in artikel 3, § 1, 7°, a), van voormelde wet van 17 mei 2004.

Wanneer het gaat om rechten van deelneming verworven vóór 1 juli 2005, of indien de datum van verwerving niet wordt aangetoond, geldt de inventariswaarde op 1 juli 2005 als aanschaffings- of beleggingswaarde voor de toepassing van deze paragraaf.