Artikel 209, WIB 92

Art. 209, tweede lid, is van toepassing vanaf het aanslagjaar 2015 (art. 47 en 50, progW 19.12.2014 - B.S. 29.12.2014; Numac: 2014021137)

Wanneer het maatschappelijk vermogen van een vennootschap wordt verdeeld ten gevolge van ontbinding of om enige andere reden, wordt als een uitgekeerd dividend aangemerkt het positieve verschil tussen de uitkeringen in geld, in effecten of in enige andere vorm, en de gerevaloriseerde waarde van het gestorte kapitaal.

De uitkeringen worden geacht achtereenvolgens voort te komen:

1° eerst uit de gerevaloriseerde waarde van het gestorte kapitaal;

1°/1 vervolgens uit de liquidatiereserve bedoeld in artikel 184quater;

2° vervolgens uit de voorheen gereserveerde winst, andere dan deze bedoeld in de bepaling onder 1°/1, die reeds aan de vennootschapsbelasting is onderworpen, de meerwaarden die worden verwezenlijkt of vastgesteld naar aanleiding van de verdeling van het vermogen inbegrepen;

3° en tenslotte uit de voorheen vrijgestelde winst.

Wanneer de verdeling van het maatschappelijk vermogen trapsgewijze plaatsvindt, wordt het eerste lid toegepast telkens wanneer een verdeling het verschil overtreft tussen, eensdeels, het bedrag van het bij de ontbinding gestorte kapitaal, gerevaloriseerd volgens de coëfficiënten van toepassing op de datum van die verdeling en, anderdeels, de vroegere verdelingen na revalorisatie daarvan volgens de coëfficiënten die op dezelfde datum van toepassing zijn voor de jaren waarin die verdelingen hebben plaatsgehad.