Artikel 219quinquies, WIB 92

Art. 219quinquies is van toepassing vanaf 01.05.2019 (art. 51 en 119, § 1, 1ste lid, W 17.03.2019 - B.S. 10.05.2019; Numac: 2019012297)

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II, van de wet van 23 maart 2019, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een bepaling van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek diverse rechten en taksen en het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, de ter uitvoering ervan genomen besluiten en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van deze wet (art. 119, § 2, W 17.03.2019 - B.S. 10.05.2019; Numac: 2019012297)]

[Zolang, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019, een vennootschap, vereniging of stichting, die door het Belgisch recht wordt beheerst, een rechtsvorm heeft die het Wetboek van vennootschappen en verenigingen niet erkent, worden de bepalingen van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek diverse rechten en taksen en het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, de ter uitvoering ervan genomen besluiten en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, die voor de inwerkingtreding van deze wet deze rechtsvorm vermeldden, geacht deze rechtsvorm te blijven vermelden voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, zoals voor de inwerkingtreding van deze wet (art. 119, § 3, W 17.03.2019 - B.S. 10.05.2019; Numac: 2019012297)]


§ 1. Er wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd in hoofde van de vennootschap die ten laste van het resultaat van het belastbaar tijdperk niet aan ten minste één in artikel 32 bedoelde bedrijfsleider een in paragraaf 2 bedoelde minimumbezoldiging heeft toegekend.

Deze afzonderlijke aanslag staat los van, en komt in voorkomend geval bovenop andere aanslagen die overeenkomstig andere bepalingen van dit Wetboek of in voorkomend geval in invoering van bijzondere wetsbepalingen verschuldigd zijn.

§ 2. De basis van de afzonderlijke aanslag wordt gevormd door het positieve verschil tussen het bedrag van 45.000 euro of, indien dat lager is, het in artikel 215, derde lid, 4°, bedoelde minimumbedrag van de bezoldiging enerzijds en de hoogste bezoldiging door de vennootschap aan een van haar bedrijfsleiders toegekend, anderzijds.

§ 3. Het tarief van de afzonderlijke aanslag bedraagt 5 %.

§ 4. De afzonderlijke aanslag is het resultaat van de in paragraaf 2 bedoelde basis van de afzonderlijke aanslag, vermenigvuldigd met het in paragraaf 3 bedoelde tarief.

§ 5. Ten name van een vennootschap die op grond van artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen als kleine vennootschap wordt aangemerkt, is dit artikel niet van toepassing gedurende de eerste vier belastbare tijdperken vanaf haar oprichting zoals bedoeld in artikel 145^26, § 1, derde en vierde lid.

§ 6. Ten name van verbonden vennootschappen in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen waarvan minstens de helft van de bedrijfsleiders dezelfde personen zijn in ieder van de betrokken vennootschappen, kan voor de toepassing van dit artikel het totaal van de door deze vennootschappen aan een van diezelfde personen gestorte bezoldigingen gezamenlijk in aanmerking worden genomen. Het totaal van het in artikel 215, derde lid, 4°, bedoelde bedrag van de minimum bezoldiging wordt in dat geval op 75.000 euro gebracht.

De afzonderlijke aanslag is in het geval bedoeld in het eerste lid verschuldigd door de vennootschap die het hoogste bedrag aan belastbaar inkomen heeft aangegeven, onder de bedoelde verbonden vennootschappen die niet voldoen aan de bezoldigingsvoorwaarde bedoeld in artikel 215, derde lid, 4°.