Artikel 219quinquies, WIB 92
Art. 219quinquies, § 3, treedt in werking op 01.01.2020 en is van toepassing vanaf aanslagjaar 2021 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 01.01.2020 (art. 60 en 86, B2, W 25.12.2017 - B.S. 29.12.2017; Numac: 2017014414; ingetrokken door art. 41, W 30.07.2018 - B.S. 10.08.2018; Numac: 2018031626)
[Hoofdstuk 1, W 25.12.2017 (B.S. 29.12.2017; Numac: 2017014414) heeft inzonderheid de gedeeltelijke omzetting tot doel van richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt en de omzetting van richtlijn (EU) 2017/952 van de Raad van 29 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/1164 wat betreft hybridemismatches met derde landen (art. 2, W 25.12.2017 - B.S. 29.12.2017; Numac: 2017014414)]
[Elke wijziging die vanaf 26 juli 2017 aan de afsluitingsdatum van het boekjaar wordt aangebracht, blijft zonder uitwerking voor de toepassing van de in dit hoofdstuk bedoelde bepalingen (art. 86 D, W 25.12.2017 - B.S. 29.12.2017; Numac: 2017014414)]
§ 1. Er wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd in hoofde van de vennootschap die ten laste van het resultaat van het belastbaar tijdperk niet aan ten minste één in artikel 32 bedoelde bedrijfsleider een in paragraaf 2 bedoelde minimumbezoldiging heeft toegekend.
Deze afzonderlijke aanslag staat los van, en komt in voorkomend geval bovenop andere aanslagen die overeenkomstig andere bepalingen van dit Wetboek of in voorkomend geval in invoering van bijzondere wetsbepalingen verschuldigd zijn.
§ 2. De basis van de afzonderlijke aanslag wordt gevormd door het positieve verschil tussen het bedrag van 45.000 euro of, indien dat lager is, het in artikel 215, derde lid, 4°, bedoelde minimumbedrag van de bezoldiging enerzijds en de hoogste bezoldiging door de vennootschap aan een van haar bedrijfsleiders toegekend, anderzijds.
§ 3. Het tarief van de afzonderlijke aanslag bedraagt 10 %
§ 4. De afzonderlijke aanslag is het resultaat van de in paragraaf 2 bedoelde basis van de afzonderlijke aanslag, vermenigvuldigd met het in paragraaf 3 bedoelde tarief.
§ 5. Ten name van een vennootschap die op grond van artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen als kleine vennootschap wordt aangemerkt, is dit artikel niet van toepassing gedurende de eerste vier belastbare tijdperken vanaf haar oprichting zoals bedoeld in artikel 145^26, § 1, derde en vierde lid.
§ 6. Ten name van verbonden vennootschappen in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen waarvan minstens de helft van de bedrijfsleiders dezelfde personen zijn in ieder van de betrokken vennootschappen, kan voor de toepassing van dit artikel het totaal van de door deze vennootschappen aan een van diezelfde personen gestorte bezoldigingen gezamenlijk in aanmerking worden genomen. Het totaal van het in artikel 215, derde lid, 4°, bedoelde bedrag van de minimum bezoldiging wordt in dat geval op 75.000 euro gebracht.
De afzonderlijke aanslag is in het geval bedoeld in het eerste lid verschuldigd door de vennootschap die het hoogste bedrag aan belastbaar inkomen heeft aangegeven, onder de bedoelde verbonden vennootschappen die niet voldoen aan de bezoldigingsvoorwaarde bedoeld in artikel 215, derde lid, 4°.
