Artikel 21, WIB 92

Art. 21, 2°, is van toepassing op inkomsten betaald vanaf 01.01.2006 (art. 112 en 116, W 27.12.2005 - B.S. 30.12.2005; Numac: 2005021182 - err. B.S. 20.03.2006)


De inkomsten van roerende goederen en kapitalen omvatten niet:

1° inkomsten uit preferente aandelen van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen;

2° inkomsten van aandelen, andere dan die vermeld in artikel 19, § 1, 4° en 19bis, betaald of toegekend bij gehele of gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen of bij verkrijging van eigen aandelen door een beleggingsvennootschap die in het land van haar fiscale woonplaats, een belastingregeling geniet die afwijkt van het gemeen recht;

3° inkomsten uit Belgische overheidsfondsen en uit leningen van voormalig Belgisch Kongo die zijn uitgegeven met vrijstelling van Belgische zakelijke en personele belastingen, of van elke belasting;

4° loten van effecten van leningen;

5° de eerste schijf van 1.250 euro per jaar van de inkomsten uit spaardeposito's die zonder overeengekomen vaste termijn of opzeggingstermijn zijn ontvangen door de in België gevestigde kredietinstellingen die vallen onder de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, met dien verstande dat:

- deze deposito's bovendien moeten voldoen aan de vereisten die de Koning stelt op advies van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, wat betreft de munt waarin deze deposito's luiden en de voorwaarden en wijze van terugneming en opneming, evenals wat betreft de structuur en het niveau en de wijze van berekening van de vergoeding ervan;

- als opzeggingstermijn in de zin van deze bepaling niet worden beschouwd de termijnen die slechts een waarborg zijn die de depositaris voor zich heeft bedongen;

6° de eerste schijf van 125 euro van dividenden van de door de Nationale Raad van de Coöperatie erkende coöperatieve vennootschappen met uitzondering van de coöperatieve participatievennootschappen bedoeld in de wet van 22 mei 2001 betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal en in de winst van de vennootschappen;

7° inkomsten uit effecten van leningen voor de herfinanciering van leningen gesloten door de Nationale Maatschappij voor de Huisvesting en de Nationale Landmaatschappij of door het Amortisatiefonds van de leningen voor de sociale huisvesting. Deze bepaling geldt slechts voor de leningen toegestaan bij de koninklijke besluiten van 25 november 1986, 5 december 1986, 9 maart 1987, 27 april 1987 en 18 juni 1987;

8° inkomsten van roerende goederen en kapitalen, die in het kader van het pensioensparen worden verleend of toegekend aan daartoe erkende instellingen voor collectieve belegging of aan houders van een individuele spaarrekening ter zake van de in die rekening begrepen activa, voor zover aan de op dat stuk gestelde vereisten is voldaan en de gestorte bedragen in het kader van het pensioensparen voor belastingvermindering in aanmerking zijn genomen; de Koning neemt bijzondere maatregelen voor de toepassing van en de controle op deze bepaling;

9° inkomsten die zijn begrepen in kapitalen en afkoopwaarden betreffende levensverzekeringscontracten gesloten door een natuurlijke persoon, zoals die in artikel 19, § 1, 3°, worden omschreven, in elk van de volgende gevallen:

a) wanneer de belastingplichtige die het contract heeft aangegaan alleen zichzelf heeft verzekerd en de voordelen van het contract bij leven bedongen zijn ten eigen gunste en het contract voorziet in het betalen bij het overlijden van een kapitaal gelijk aan ten minste 130 % van het totaal van de gestorte premies;

b) wanneer het contract gesloten is voor meer dan acht jaar en de kapitalen of afkoopwaarden effectief worden betaald meer dan acht jaar na het sluiten van het contract.

10° de eerste schijf van 125 euro van interesten of dividenden betaald of toegekend door vennootschappen met een sociaal oogmerk:

- die erkend zijn zowel door de minister van Financiën als door de minister of de ministers die bevoegd zijn tot de verlening ervan,

- die uitsluitend als maatschappelijk doel hebben:

a) de bijstand aan personen;

b) de vernieuwing van afgedankte bedrijfsruimte;

c) de bescherming van het leefmilieu, daaronder begrepen de recyclage;

d) de natuurbescherming en het natuurbehoud;

e) de verwerving, het bouwen, de vernieuwing, de verkoop of het verhuren van sociale huisvesting;

f) de hulp aan ontwikkelingslanden;

g) de productie van duurzame energie;

h) de vorming;

i) de financiering van de hierboven bedoelde vennootschappen,

- en voor zover hun statuten bepalen dat in geval van vereffening het volledige nettoactief opnieuw wordt geïnvesteerd in een andere onder vorig streepje vermelde vennootschap met sociaal oogmerk.