Artikel 231, WIB 92

Art. 231, § 1 en 2, is van toepassing vanaf aanslagjaar 1993 (art. 26, W 28.07.1992 - B.S. 31.07.1992; Numac: 1992003462)


§ 1. Op voorwaarde van wederkerigheid zijn vrijgesteld:

1° inkomsten van onroerende goederen die een vreemde Staat heeft bestemd voor de huisvesting van zijn diplomatieke of consulaire zendingen of van culturele instellingen die zich niet met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden;

2° bezoldigingen die ten laste van in België geaccrediteerde buitenlandse diplomatieke en consulaire zendingen of van de hoofden van die zendingen worden verkregen door hun personeelsleden die de Belgische nationaliteit niet bezitten, en bezoldigingen die ten laste van een vreemde staat of van een staatkundig onderdeel of plaatselijke gemeenschap daarvan of van een buitenlands publiekrechtelijk lichaam worden verkregen door personen als bedoeld in artikel 4, 3°;

3° winst die een niet in artikel 228, § 2, 3°, b, vermelde buitenlandse onderneming in België verkrijgt uit verrichtingen door bemiddeling van een vertegenwoordiger die er enkel de bestellingen van de cliënteel inzamelt en ze aan de onderneming doet toekomen zonder deze te verbinden, of uit de exploitatie van schepen of vliegtuigen waarvan zij eigenares of bevrachtster is en die België aandoen.

§ 2. Wanneer een Belgische inrichting behoort tot de goederen die naar aanleiding van een fusie, een splitsing of een inbreng van één of meer bedrijfstakken of takken van werkzaamheid of van de algemeenheid van goederen door een vennootschap van een lidstaat van de Europese Gemeenschappen met vrijstelling van inkomstenbelasting worden ingebracht, zijn de naar aanleiding van deze verrichting vastgestelde meerwaarden op die Belgische inrichting of op haar activa-bestanddelen eveneens vrijgesteld voor zover die inrichting of die activa-bestanddelen in België behouden blijven.

In het geval als vermeld in het eerste lid, worden bij de Belgische inrichting van de verkrijgende, overnemende of nieuwe vennootschap, de afschrijvingen, investeringsaftrekken, minderwaarden of meerwaarden bepaald alsof die verrichting niet had plaatsgevonden.

Volgens de wijze en onder de voorwaarden die daarin zijn gesteld, blijven de bepalingen van dit Wetboek van toepassing op de bij de ingebrachte inrichting bestaande waardeverminderingen, voorzieningen, onderwaarderingen, overwaarderingen, subsidies, vorderingen, meerwaarden en reserves, alsof die inbreng niet had plaatsgevonden.

In de gevallen als vermeld in artikel 47, kan de gedane inbreng niet tot gevolg hebben dat de oorspronkelijke wederbeleggingstermijn wordt verlengd.