Artikel 231, WIB 92
Art. 231, § 3, is van toepassing op de inbrengverrichtingen die plaatsvinden vanaf de publicatie in het Belgisch Staatsblad (art. 3, W 30.01.1996 - B.S. 30.03.1996; Numac: 1996003142)
Art. 231, § 3, tweede lid, wordt ingetrokken (art. 35, W 22.12.1998 - MB 15.01.1999; Numac: 1998003665)
§ 1. Op voorwaarde van wederkerigheid zijn vrijgesteld:
1° inkomsten van onroerende goederen die een vreemde Staat heeft bestemd voor de huisvesting van zijn diplomatieke of consulaire zendingen of van culturele instellingen die zich niet met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden;
2° bezoldigingen die ten laste van in België geaccrediteerde buitenlandse diplomatieke en consulaire zendingen of van de hoofden van die zendingen worden verkregen door hun personeelsleden die de Belgische nationaliteit niet bezitten, en bezoldigingen die ten laste van een vreemde staat of van een staatkundig onderdeel of plaatselijke gemeenschap daarvan of van een buitenlands publiekrechtelijk lichaam worden verkregen door personen als bedoeld in artikel 4, 3°;
3° winst die een niet in artikel 228, § 2, 3°, b, vermelde buitenlandse onderneming in België verkrijgt uit verrichtingen door bemiddeling van een vertegenwoordiger die er enkel de bestellingen van de cliënteel inzamelt en ze aan de onderneming doet toekomen zonder deze te verbinden, of uit de exploitatie van schepen of vliegtuigen waarvan zij eigenares of bevrachtster is en die België aandoen.
§ 2. Wanneer een Belgische inrichting behoort tot de goederen die naar aanleiding van een fusie, een splitsing of een inbreng van één of meer bedrijfstakken of takken van werkzaamheid of van de algemeenheid van goederen door een vennootschap van een lidstaat van de Europese Gemeenschappen met vrijstelling van inkomstenbelasting worden ingebracht, zijn de naar aanleiding van deze verrichting vastgestelde meerwaarden op die Belgische inrichting of op haar activa-bestanddelen eveneens vrijgesteld voor zover die inrichting of die activa-bestanddelen in België behouden blijven.
Het eerste lid is niet van toepassing wanneer een door de Commissie voor he Bank- en Financiewezen erkende vastgoedbeleggingsvennootschap met vast kapitaal heeft deelgenomen aan voormelde verrichting.
In het geval als vermeld in het eerste lid, worden bij de Belgische inrichting van de verkrijgende, overnemende of nieuwe vennootschap, de afschrijvingen, investeringsaftrekken, minderwaarden of meerwaarden bepaald alsof die verrichting niet had plaatsgevonden.
Volgens de wijze en onder de voorwaarden die daarin zijn gesteld, blijven de bepalingen van dit Wetboek van toepassing op de bij de ingebrachte inrichting bestaande waardeverminderingen, voorzieningen, onderwaarderingen, overwaarderingen, subsidies, vorderingen, meerwaarden en reserves, alsof die inbreng niet had plaatsgevonden.
In de gevallen als vermeld in artikel 47, kan de gedane inbreng niet tot gevolg hebben dat de oorspronkelijke wederbeleggingstermijn wordt verlengd.
§ 3. Vrijgesteld zijn de meerwaarden die worden verwezenlijkt of vastgesteld ter gelegenheid van de inbreng van een Belgische inrichting in een binnenlandse vennootschap, tegen verkrijging van aandelen die het maatschappelijk kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigen.
Het door die inbreng gestorte kapitaal is gelijk aan de fiscale nettowaarde die, op het ogenblik van de inbreng, de inrichting had bij de inbrenger, na aftrek van:
1° de voorheen belaste reserves;
2° de vrijgestelde reserves, andere dan:
a) de in artikel 44, § 1, 1°, vermelde meerwaarden die zijn vrijgesteld;
b) de in artikel 48 vermelde vrijgestelde waardeverminderingen en voorzieningen.
Het bedrag van de voorheen bij de Belgische inrichting gereserveerde winst, wordt ten name van de binnenlandse vennootschap bepaald alsof de inbrengverrichting niet had plaatsgevonden.
De ten name van de binnenlandse vennootschap in aanmerking te nemen afschrijvingen, investeringsaftrekken, minderwaarden of meerwaarden op de door de Belgische inrichting afgestane activa worden bepaald alsof deze laatste niet van eigenaar waren veranderd.
Het bepaalde in de artikelen 44, 45, 47, 48 en 361 tot 363 blijft van toepassing op de bij de Belgische inrichting bestaande meerwaarden, waardeverminderingen, voorzieningen, onderwaarderingen, overwaarderingen, subsidies en vorderingen in zover die bestanddelen als dusdanig worden teruggevonden in de boekhouding van de binnenlandse vennootschap.
In de gevallen vermeld in artikel 47, kan de inbrengverrichting niet tot gevolg hebben dat de oorspronkelijke herbeleggingstermijn wordt verlengd.
