Artikel 275^8, WIB 92

Art. 275^8, § 2, tweede lid, is van toepassing op de werkgevers die een formulier hebben overgelegd in de loop van een belastbaar tijdperk dat aanvangt vanaf 01.01.2016 (art. 61 en 63, W 18.12.2015 - B.S. 30.12.2015; Numac: 2015011510 - err. B.S. 13.01.2016)


§ 1. De in § 2 bedoelde werkgevers die een in § 3 bedoelde investering verrichten in een inrichting gelegen in een steunzone die is opgenomen in het door de Koning genomen besluit ter uitvoering van artikel 16 van de wet van 15 mei 2014 houdende uitvoering van het pact voor competitiviteit, werkgelegenheid en relance, die op geldige wijze een formulier als bedoeld in § 5 hebben overgelegd, die bezoldigingen betalen of toekennen, en die krachtens artikel 270, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op deze bezoldigingen, worden tijdelijk vrijgesteld 25 % van de bedrijfsvoorheffing die betrekking heeft op de in § 4 bedoelde bezoldigingen in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen wordt ingehouden.

Deze vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing kan niet worden toegepast op de belastbare bezoldigingen van werknemers waarvoor reeds een andere vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing zoals bedoeld in de artikelen 275^1, 275^2, 275^3, 275^4 en 275^6 wordt toegepast.

Deze vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan niet worden toegepast door een werkgever waarvoor een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een besluit van de Europese Commissie die een door een lidstaat verleende steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt heeft verklaard.

De vrijstelling van doorstorting wordt definitief toegestaan nadat de werkgever of de in het zevende lid bedoelde onderneming die erkend is voor uitzendarbeid, in een bijlage aan zijn aangifte in de inkomstenbelasting die betrekking heeft op het derde aanslagjaar volgend op het aanslagjaar verbonden aan het belastbaar tijdperk binnen hetwelk de door de investering gecreëerde nieuwe arbeidsplaats is ingevuld, aantoont dat deze nieuwe arbeidsplaats gedurende ten minste drie jaar behouden is gebleven en gedurende deze periode heeft voldaan aan de voorwaarde bedoeld in § 4, tweede lid. Het model van de bijlage wordt door de minister die bevoegd is voor Financiën of zijn afgevaardigde vastgesteld.

Indien de werkgever of een in het zevende lid bedoelde onderneming die erkend is voor uitzendarbeid, bij het verstrijken van de in het vierde lid vermelde aangiftetermijn niet heeft aangetoond dat de nieuw gecreëerde arbeidsplaats gedurende de in het vierde lid bedoelde minimale behoudstermijn van drie jaar behouden is gebleven, wordt de bedrijfsvoorheffing die krachtens het eerste lid werd vrijgesteld van doorstorting, aangemerkt als verschuldigde bedrijfsvoorheffing van de maand binnen dewelke deze minimale behoudstermijn is verstreken.

De vrijstelling van doorstorting is per investering beperkt tot een maximum van 7,5 miljoen euro.

Een onderneming die erkend is voor uitzendarbeid en die één of meerdere uitzendkrachten ter beschikking stelt van de in het eerste lid vermelde werkgever, en die voor deze uitzendkrachten bezoldigingen uitbetaalt die voldoen aan de voorwaarden bedoeld in § 4, kan in de plaats van deze werkgever de tijdelijke vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing verkrijgen. In dit geval leveren zowel de werkgever als de onderneming die erkend is voor uitzendarbeid het bewijs bedoeld in § 4, vijfde lid.

§ 2. De vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan enkel worden toegepast door een werkgever die in ten minste twee van de laatste drie afgesloten belastbare tijdperken voorafgaand aan het belastbaar tijdperk waarin het in § 5 bedoelde formulier geldig werd overgelegd een jaargemiddelde van het personeelsbestand in dienst heeft van minder dan 250 personen uitgedrukt in voltijdse equivalenten en waarvan:

- de jaaromzet exclusief de belasting over de toegevoegde waarde het bedrag van 50 miljoen euro niet overschrijdt, of

- het jaarlijkse balanstotaal het bedrag van 43 miljoen euro niet overschrijdt.

Indien de werkgever een vennootschap is, zijn, voor de berekening van de in het eerste lid vermelde criteria, de bepalingen uit artikel 15, §§ 3 tot 5, van het Wetboek van vennootschappen van toepassing.

Indien de werkgever verbonden is in de zin van artikel 11 van het Wetboek van vennootschappen wordt de controle van de criteria inzake jaaromzet en balanstotaal verricht op geconsolideerde basis. Wat het personeelsbestand betreft, wordt het aantal werknemers opgeteld dat door elk van de betrokken verbonden vennootschappen jaarlijks gemiddeld wordt tewerkgesteld.

Indien de werkgever een geassocieerde vennootschap is in de zin van artikel 12 van het Wetboek van vennootschappen wordt de controle op de criteria bedoeld in het eerste lid uitgevoerd door de jaaromzet, het balanstotaal en het jaargemiddelde van het personeelsbestand van deze vennootschap te verhogen met de jaaromzet, het balanstotaal en het jaargemiddelde van het personeelsbestand van de geassocieerde vennootschap vermenigvuldigd met het hoogste percentage van de volgende twee percentages:

- hetzij het percentage van de stemrechten verbonden aan de deelneming;

- hetzij het percentage van het kapitaal dat de deelneming vertegenwoordigt.

Bovendien kan de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing enkel worden toegepast door een werkgever waarvan de controle over het kapitaal of de stemrechten, , op het ogenblik van het overleggen van het in § 5 bedoelde formulier, individueel of gezamenlijk, rechtstreeks of onrechtstreeks, voor minder dan 25 % uitgeoefend worden door één of meerdere aanbestedende overheden als bedoeld in artikel 2 van de wet van 15 juni 2006 betreffende de overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten.

De vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan niet worden toegepast door een werkgever:

- waarvoor, op het ogenblik van het overleggen van het in § 5 bedoelde formulier, een aangifte of vordering tot faillietverklaring is ingesteld of waarvan op dat ogenblik het beheer van het actief geheel of ten dele is ontnomen zoals voorzien in de artikelen 7 en 8 van de faillissementswet;

- waarvoor, op het ogenblik van het overleggen van het in § 5 bedoelde formulier, een procedure van gerechtelijke reorganisatie is geopend zoals bedoeld in artikel 23 van de wet betreffende de continuïteit van de ondernemingen;

- die, op het ogenblik van het overleggen van het in § 5 bedoelde formulier, een ontbonden vennootschap is en zich in staat van vereffening bevindt;

- waarvan, op het ogenblik van het overleggen van het in § 5 bedoelde formulier, ten gevolge van geleden verlies het netto actief is gedaald tot minder dan de helft van het vaste gedeelte van het maatschappelijk kapitaal.

- die, op het ogenblik van het overleggen van het in § 5 bedoelde formulier, steun heeft ontvangen die door de Europese Commissie geacht wordt verenigbaar te zijn met de richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden van 31 juli 2014 (PB C 249) of met artikel 107, derde lid, b, van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie en die in het geval van reddingssteun de lening nog niet heeft terugbetaald of de garantie nog niet heeft beëindigd of in het geval van herstructureringssteun zich nog steeds in de herstructureringsfase bevindt.

§ 3. De in § 1 bedoelde investering komt slechts in aanmerking in zoverre het een investering in materiële of immateriële vaste activa betreft die verband houdt met:

- hetzij, de oprichting van een nieuwe inrichting;

- hetzij, de uitbreiding van de capaciteit van een bestaande inrichting;

- hetzij, de diversificatie van de productie van een inrichting naar producten die voordien niet in de inrichting werden vervaardigd;

- hetzij, een fundamentele verandering in het totale productieproces van een bestaande inrichting.

De investering bedoeld in § 1 kan ook betrekking hebben op een overname van materiële of immateriële vaste activa van:

- hetzij, een inrichting waarvan de derde-werkgever krachtens de procedure voorzien in artikel 66 van de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling, de sluiting van de vestiging heeft aangekondigd of

- hetzij, een inrichting die deel uitmaakt van een onderneming waarvoor een procedure van gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag is opgestart, zoals bedoeld in artikel 59 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen of

- hetzij, een inrichting die deel uitmaakt van een onderneming waarvan de bevoegde rechtbank een vonnis van faillietverklaring heeft gewezen.

De derde-werkgever en de onderneming bedoeld in het vorige lid mogen niet op de wijze die is bedoeld in de artikelen 11 en 12 van het Wetboek van vennootschappen verbonden of geassocieerd zijn met de werkgever die de investering verricht.

Voor toepassing van dit artikel moet onder inrichting een plaats worden verstaan die men geografisch gezien kan identificeren door een adres, waar ten minste een activiteit van de onderneming wordt uitgeoefend of zal worden uitgeoefend.

Dit artikel is niet van toepassing op investeringen die kaderen in de uitoefening van een activiteit in één van de volgende sectoren:

- de visserij en aquacultuur, in de mate dat de activiteit is begrepen binnen het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1184/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad;

- de productie van landbouwproducten die zijn opgenomen in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie die geen verdere bewerking hebben ondergaan die de aard van deze producten wijzigt.

§ 4. De door de werkgever uitbetaalde bezoldigingen die in aanmerking komen voor de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing, moeten betrekking hebben op de in § 3 vermelde investering. Enkel een ten gevolge van deze investering gecreëerde nieuwe arbeidsplaats die wordt ingevuld voor het verstrijken van de 36ste maand die volgt op de dag waarop de werkzaamheden werden voltooid die betrekking hebben op de investering die is uiteengezet in het in § 5 vermelde formulier, komt in aanmerking voor deze maatregel.

Een arbeidsplaats is slechts nieuw indien deze in de betrokken inrichting het totaal aantal werknemers en uitzendkrachten uitgedrukt in voltijdse equivalenten doet verhogen ten opzichte van het gemiddeld aantal werknemers en uitzendkrachten uitgedrukt in voltijdse equivalenten over de twaalf maanden voorafgaand aan de voltooiing van de investering, vermeerderd met de andere door de investering reeds gecreëerde nieuwe arbeidsplaatsen uitgedrukt in voltijdse equivalenten.

In geval van een overname van in § 3, tweede lid, bedoelde materiële of immateriële vaste activa worden alle arbeidsplaatsen als nieuw beschouwd.

Uitsluitend de bezoldigingen die ten gevolge van de invulling van deze nieuwe arbeidsplaats binnen de twee jaar vanaf het ogenblik van invulling worden uitbetaald, komen in aanmerking voor deze maatregel.

Om de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing te verkrijgen, moet de schuldenaar het bewijs leveren dat wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld in deze paragraaf en paragraaf 1 van respectievelijk dit artikel of artikel 275^9 en het ter beschikking houden van de Federale Overheidsdienst Financiën. De Koning bepaalt de nadere regels voor het leveren van dit bewijs.

§ 5. Alvorens de in § 1, eerste lid, vermelde vrijstelling van doorstorting te kunnen verkrijgen, moet de werkgever voor de aanvang van de investering een door de Koning opgesteld formulier overleggen waarin de nodige gegevens of verklaringen worden afgeleverd met betrekking tot de identiteit en activiteit van de werkgever, de opzet en uitvoering van de investering, de datum van de aanvang en verwachte voltooiing van de investering en in voorkomend geval de voor de investering aangevraagde of verleende gewestelijke steun. In het formulier beschrijft de werkgever de verwachte bijkomende arbeidsplaatsen waarbij het verband tussen deze arbeidsplaatsen en de investering wordt aangetoond. In het formulier raamt de werkgever eveneens de loonkosten die verbonden zijn aan deze verwachte bijkomende arbeidsplaatsen en berekent hierop de vrijstelling van doorstorting die op deze lonen zal worden toegepast.

Met de aanvang van de investering wordt hetzij de start van de bouwwerkzaamheden bedoeld, hetzij de eerste juridisch bindende toezegging om uitrusting te bestellen, hetzij een andere toezegging die de investering onomkeerbaar maakt, naargelang wat als eerste plaatsvindt. De aankoop van gronden en voorbereidende werkzaamheden zoals het verkrijgen van vergunningen en de uitvoering van voorbereidende haalbaarheidsstudies worden niet als aanvang van de investering beschouwd. Bij overnames is de aanvang van de investering het tijdstip van de verwerving van de activa die rechtstreeks met de overgenomen inrichting verband houden.

De vrijstelling van doorstorting wordt niet verleend indien de periode tussen de datum van overlegging van het in het eerste lid bedoelde formulier en de datum van effectieve voltooiing van de investering meer dan twee keer langer is dan de periode tussen de datum van overlegging van dit formulier en de datum van de verwachte voltooiing van de investering, of indien niet wordt aangetoond dat de nieuw gecreëerde arbeidsplaatsen betrekking hebben op de investering.

Een formulier is slechts geldig overgelegd indien uit de op het formulier vermelde gegevens of uit de aan het formulier toegevoegde bijlagen voldoende blijkt dat de werkgever of de door de werkgever verrichte investering zich binnen het toepassingsgebied bevindt van §§ 1 tot en met 3 van respectievelijk dit artikel of artikel 275^9.