Artikel 275^8, WIB 92

Art. 275^8 is van toepassing vanaf 01.05.2019 (art. 65 en 119, § 1, 1ste lid, W 17.03.2019 - B.S. 10.05.2019; Numac: 2019012297)

[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II, van de wet van 23 maart 2019, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een bepaling van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek diverse rechten en taksen en het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, de ter uitvoering ervan genomen besluiten en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van deze wet (art. 119, § 2, W 17.03.2019 - B.S. 10.05.2019; Numac: 2019012297)]

[Zolang, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019, een vennootschap, vereniging of stichting, die door het Belgisch recht wordt beheerst, een rechtsvorm heeft die het Wetboek van vennootschappen en verenigingen niet erkent, worden de bepalingen van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek diverse rechten en taksen en het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, de ter uitvoering ervan genomen besluiten en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, die voor de inwerkingtreding van deze wet deze rechtsvorm vermeldden, geacht deze rechtsvorm te blijven vermelden voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, zoals voor de inwerkingtreding van deze wet (art. 119, § 3, W 17.03.2019 - B.S. 10.05.2019; Numac: 2019012297)]


§ 1. De in § 2 bedoelde werkgevers die een in § 3 bedoelde investering verrichten in een inrichting gelegen in een steunzone die is opgenomen in het door de Koning genomen besluit ter uitvoering van artikel 16 van de wet van 15 mei 2014 houdende uitvoering van het pact voor competitiviteit, werkgelegenheid en relance, die op geldige wijze een formulier als bedoeld in § 5 hebben overgelegd, die bezoldigingen betalen of toekennen, en die krachtens artikel 270, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op deze bezoldigingen, worden tijdelijk vrijgesteld 25 % van de bedrijfsvoorheffing die betrekking heeft op de in § 4 bedoelde bezoldigingen in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen wordt ingehouden.

Deze vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing kan niet worden toegepast op de belastbare bezoldigingen van werknemers waarvoor reeds een andere vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing zoals bedoeld in de artikelen 275^2, 275^3, 275^4 en 275^6 wordt toegepast en kan evenmin worden toegepast op het deel van de bezoldigingen dat betrekking heeft op door de werknemer gepresteerd overwerk als bedoeld in artikel 275^1.

Deze vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan niet worden toegepast door een werkgever waarvoor een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een besluit van de Europese Commissie die een door België verleende steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt heeft verklaard.

Voor de toepassing van het eerste lid kan een investering, die wordt verricht door een vennootschap die deel uitmaakt van een groep van vennootschappen waartoe ook de werkgever behoort, geacht worden een door de werkgever verrichte investering te zijn. In voorkomend geval is de werkgever gehouden het bewijs te leveren dat aan de toepassingsvoorwaarden van dit artikel is voldaan, alsof de werkgever zelf de investering heeft verricht.

De vrijstelling van doorstorting wordt definitief toegestaan nadat de werkgever of de in het achtste lid bedoelde onderneming die erkend is voor uitzendarbeid, in een bijlage aan zijn aangifte in de inkomstenbelasting die betrekking heeft op het derde aanslagjaar volgend op het aanslagjaar verbonden aan het belastbaar tijdperk binnen hetwelk de door de investering gecreëerde nieuwe arbeidsplaats is ingevuld, aantoont dat deze nieuwe arbeidsplaats gedurende ten minste drie jaar behouden is gebleven en gedurende deze periode heeft voldaan aan de voorwaarde bedoeld in § 4, tweede lid. Het model van de bijlage wordt door de minister die bevoegd is voor Financiën of zijn afgevaardigde vastgesteld.

Indien de werkgever of de in het achtste lid bedoelde onderneming die erkend is voor uitzendarbeid, bij het verstrijken van de in het vijfde lid vermelde aangiftetermijn niet heeft aangetoond dat de nieuw gecreëerde arbeidsplaats gedurende de in het vijfde lid bedoelde minimale behoudstermijn van drie jaar behouden is gebleven, wordt de bedrijfsvoorheffing die krachtens het eerste lid werd vrijgesteld van doorstorting, aangemerkt als verschuldigde bedrijfsvoorheffing van de maand binnen dewelke deze minimale behoudstermijn is verstreken.

De vrijstelling van doorstorting is per investering beperkt tot een maximum van 7,5 miljoen euro.

Een onderneming die erkend is voor uitzendarbeid en die één of meerdere uitzendkrachten ter beschikking stelt van de in het eerste lid vermelde werkgever, en die voor deze uitzendkrachten bezoldigingen uitbetaalt die voldoen aan de voorwaarden bedoeld in § 4, kan in de plaats van deze werkgever de tijdelijke vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing verkrijgen. In dit geval leveren zowel de werkgever als de onderneming die erkend is voor uitzendarbeid het bewijs bedoeld in § 4, vijfde lid.

In het geval de werkgever ingevolge een fusie, splitsing, verrichting gelijkgesteld met een fusie of splitsing, inbreng van de algemeenheid van goederen of inbreng van bedrijfsafdeling of tak van werkzaamheid de exploitatie van de in het eerste lid bedoelde investering heeft overgedragen aan een andere vennootschap en deze andere vennootschap er onherroepelijk op de door de Koning bepaalde wijze voor heeft geopteerd, wordt deze andere vennootschap voor de toepassing van deze paragraaf en paragraaf 4 gelijk gesteld met de in deze paragraaf bedoelde werkgever.

§ 2. De in dit artikel bedoelde vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan enkel worden toegepast indien de werkgever en in voorkomend geval de in paragraaf 1, vierde lid, bedoelde vennootschap die de investering heeft verricht, in ten minste twee van de laatste drie afgesloten belastbare tijdperken voorafgaand aan het belastbaar tijdperk waarin het in § 5 bedoelde formulier geldig werd overgelegd een jaargemiddelde van het personeelsbestand in dienst heeft van minder dan 250 personen uitgedrukt in voltijdse equivalenten en waarvan:

- de jaaromzet exclusief de belasting over de toegevoegde waarde het bedrag van 50 miljoen euro niet overschrijdt, of

- het jaarlijkse balanstotaal het bedrag van 43 miljoen euro niet overschrijdt.

Behalve in het geval de werkgever geen vennootschap is, zijn, voor de berekening van de in het eerste lid vermelde criteria, de bepalingen uit artikel 1:24, §§ 3 tot 5, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van toepassing.

Indien de in het eerste lid bedoelde werkgever of vennootschap verbonden is in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen worden de criteria inzake jaaromzet en balanstotaal berekend op geconsolideerde basis. Wat het personeelsbestand betreft, wordt het aantal werknemers opgeteld dat door elk van de betrokken verbonden vennootschappen jaarlijks gemiddeld wordt tewerkgesteld.

De in het eerste lid bedoelde jaaromzet, balanstotaal en jaargemiddelde van het personeelsbestand wordt verhoogd met de jaaromzet, het balanstotaal en het jaargemiddelde van het personeelsbestand van elke partneronderneming, in verhouding tot het hoogste percentage van de volgende twee percentages:

- hetzij het percentage van de stemrechten dat verbonden is met de in het vijfde lid bedoelde deelneming;

- hetzij het percentage van het kapitaal dat de in het vijfde lid bedoelde deelneming vertegenwoordigt.

Voor toepassing van het vierde lid wordt onder partneronderneming een natuurlijke persoon of rechtspersoon begrepen die niet verbonden is met respectievelijk de in het eerste lid bedoelde werkgever of de in datzelfde lid bedoelde vennootschap, en:

- die een deelneming heeft van 25 % of meer van het kapitaal of de stemrechten van respectievelijk deze werkgever of deze vennootschap, of;

- waarvan ten minste 25 % van het kapitaal of de stemrechten wordt aangehouden door respectievelijk deze werkgever of deze vennootschap.

Openbare participatiemaatschappijen, risicokapitaalmaatschappijen, business angels, universiteiten, onderzoekscentra zonder winstoogmerk, institutionele beleggers, regionale ontwikkelingsfondsen en autonome lokale autoriteiten, zoals bedoeld in artikel 3, lid 2, van bijlage I, van verordening (EU) 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, worden voor de toepassing van het vierde lid en in afwijking van het vijfde lid niet beschouwd als een partneronderneming.

Bovendien kan de in dit artikel bedoelde vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing enkel worden toegepast indien de controle over het kapitaal of de stemrechten van de werkgever, of in voorkomend geval de in paragraaf 1, vierde lid, bedoelde vennootschap die de investering heeft verricht, op het ogenblik van het overleggen van het in § 5 bedoelde formulier, individueel of gezamenlijk, rechtstreeks of onrechtstreeks, voor minder dan 25 % uitgeoefend worden door één of meerdere aanbestedende overheden als bedoeld in artikel 2 van de wet van 15 juni 2006 betreffende de overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten. De in het zesde lid bedoelde gevallen worden voor de toepassing van dit lid niet beschouwd als aanbestedende overheden.

De vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan niet worden toegepast door een werkgever:

- waarvoor, op het ogenblik van het overleggen van het in § 5 bedoelde formulier, een aangifte of vordering tot faillietverklaring is ingesteld of waarvan op dat ogenblik het beheer van het actief geheel of ten dele is ontnomen zoals voorzien in de artikelen 7 en 8 van de faillissementswet;

- waarvoor, op het ogenblik van het overleggen van het in § 5 bedoelde formulier, een procedure van gerechtelijke reorganisatie is geopend zoals bedoeld in artikel 23 van de wet betreffende de continuïteit van de ondernemingen;

- die, op het ogenblik van het overleggen van het in § 5 bedoelde formulier, een ontbonden vennootschap is en zich in staat van vereffening bevindt;

- waarvan, op het ogenblik van het overleggen van het in § 5 bedoelde formulier, ten gevolge van geleden verlies het netto actief is gedaald tot minder dan de helft van het vaste gedeelte van het kapitaal.

- die, op het ogenblik van het overleggen van het in § 5 bedoelde formulier, steun heeft ontvangen die door de Europese Commissie geacht wordt verenigbaar te zijn met de richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden van 31 juli 2014 (PB C 249) of met artikel 107, derde lid, b, van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie en die in het geval van reddingssteun de lening nog niet heeft terugbetaald of de garantie nog niet heeft beëindigd of in het geval van herstructureringssteun zich nog steeds in de herstructureringsfase bevindt.

§ 3. De in § 1 bedoelde investering komt slechts in aanmerking in zoverre het een investering in materiële of immateriële vaste activa betreft die verband houdt met:

- hetzij, de oprichting van een nieuwe inrichting;

- hetzij, de uitbreiding van de capaciteit van een bestaande inrichting;

- hetzij, de diversificatie van de productie van een inrichting naar producten die voordien niet in de inrichting werden vervaardigd;

- hetzij, een fundamentele verandering in het totale productieproces van een bestaande inrichting.

De investering bedoeld in § 1 kan ook betrekking hebben op een overname van materiële of immateriële vaste activa van:

- hetzij, een inrichting waarvan de derde-werkgever krachtens de procedure voorzien in artikel 66 van de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling, de sluiting van de vestiging heeft aangekondigd of

- hetzij, een inrichting die deel uitmaakt van een onderneming waarvoor een procedure van gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag is opgestart, zoals bedoeld in artikel 59 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen of

- hetzij, een inrichting die deel uitmaakt van een onderneming waarvan de bevoegde rechtbank een vonnis van faillietverklaring heeft gewezen.

De derde-werkgever en de onderneming bedoeld in het vorige lid mogen niet op de wijze die is bedoeld in de artikelen 1:20 en 1:21 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen verbonden of geassocieerd zijn met de werkgever die de investering verricht.

Voor toepassing van dit artikel moet onder inrichting een plaats worden verstaan die men geografisch gezien kan identificeren door een adres, waar ten minste een activiteit van de onderneming wordt uitgeoefend of zal worden uitgeoefend.

Dit artikel is niet van toepassing op investeringen die kaderen in de uitoefening van een activiteit in één van de volgende sectoren:

- de visserij en aquacultuur, in de mate dat de activiteit is begrepen binnen het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1184/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad;

- de productie van landbouwproducten die zijn opgenomen in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie die geen verdere bewerking hebben ondergaan die de aard van deze producten wijzigt.

§ 4. De door de werkgever uitbetaalde bezoldigingen die in aanmerking komen voor de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing, moeten betrekking hebben op de in § 3 vermelde investering. Enkel een ten gevolge van deze investering gecreëerde nieuwe arbeidsplaats die voor het eerst wordt ingevuld tussen de dag waarin het in paragraaf 5 bedoelde formulier wordt overgelegd en de eerste dag van de 36ste maand die volgt op de maand waarop de de investering wordt voltooid, komt in aanmerking voor deze maatregel.

Een arbeidsplaats is slechts nieuw indien de invulling ervan in de betrokken inrichting het totaal aantal werknemers en uitzendkrachten uitgedrukt in voltijdse equivalenten doet verhogen ten opzichte van het gemiddelde aantal werknemers en uitzendkrachten uitgedrukt in voltijdse equivalenten over de twaalf maanden voorafgaand aan de maand waarin het in paragraaf 5 bedoelde formulier wordt overgelegd, vermeerderd met de andere door de investering reeds gecreëerde nieuwe arbeidsplaatsen uitgedrukt in voltijdse equivalenten.

In geval van een overname van in § 3, tweede lid, bedoelde materiële of immateriële vaste activa worden alle arbeidsplaatsen als nieuw beschouwd.

Uitsluitend de bezoldigingen die ten gevolge van de invulling van deze nieuwe arbeidsplaats binnen de twee jaar vanaf het ogenblik van de initiële invulling worden uitbetaald, komen in aanmerking voor deze maatregel.

Om de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing te verkrijgen, moet de schuldenaar het bewijs leveren dat wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld in deze paragraaf en paragraaf 1 van respectievelijk dit artikel of artikel 275^9 en het ter beschikking houden van de Federale Overheidsdienst Financiën. De Koning bepaalt de nadere regels voor het leveren van dit bewijs.

§ 5. Alvorens de in § 1, eerste lid, vermelde vrijstelling van doorstorting te kunnen verkrijgen, moet de werkgever ten laatste in de derde maand na de voltooiing van de investering een door de Koning opgesteld formulier overleggen waarin de nodige gegevens of verklaringen worden afgeleverd met betrekking tot de identiteit en activiteit van de werkgever, de opzet en uitvoering van de investering, de datum van de aanvang en verwachte of effectieve voltooiing van de investering en in voorkomend geval de voor de investering aangevraagde of verleende gewestelijke steun. In het formulier beschrijft de werkgever de verwachte bijkomende arbeidsplaatsen waarbij het verband tussen deze arbeidsplaatsen en de investering wordt aangetoond. In het formulier raamt de werkgever eveneens de loonkosten die verbonden zijn aan deze verwachte bijkomende arbeidsplaatsen en berekent hierop de vrijstelling van doorstorting die op deze lonen zal worden toegepast. In het geval de werkgever de toepassing van artikel 275^8 vraagt, wordt het overeenkomstig artikel 275^8, § 2, vastgestelde jaargemiddelde van het personeelsbestand, jaaromzet en het jaarlijkse balanstotaal vermeld van de werkgever en in voorkomend geval van de in paragraaf 1, vierde lid, bedoelde vennootschap die de investering heeft verricht, die betrekking hebben op de in artikel 275^8, § 2, eerste lid bedoelde belastbare tijdperken.

In het geval van toepassing van paragraaf 1, vierde lid, of artikel 275^9, § 1 vierde lid, vermeldt de werkgever in het formulier de naam, het adres en het ondernemingsnummer van de vennootschap die de investering verricht en levert de werkgever het bewijs dat deze vennootschap deel uitmaakt van de groep van vennootschappen waartoe hij zelf behoort.

Met de aanvang van de investering wordt hetzij de start van de bouwwerkzaamheden bedoeld, hetzij de eerste juridisch bindende toezegging om uitrusting te bestellen, hetzij een andere toezegging die de investering onomkeerbaar maakt, naargelang wat als eerste plaatsvindt. De aankoop van gronden en voorbereidende werkzaamheden zoals het verkrijgen van vergunningen en de uitvoering van voorbereidende haalbaarheidsstudies worden niet als aanvang van de investering beschouwd. Bij overnames is de aanvang van de investering het tijdstip van de verwerving van de activa die rechtstreeks met de overgenomen inrichting verband houden.

Met de voltooiing van de investering wordt het tijdstip bedoeld waarop deze investering effectief door de werkgever in gebruik wordt genomen.

De vrijstelling van doorstorting wordt niet verleend indien niet wordt aangetoond dat de nieuw gecreëerde arbeidsplaatsen betrekking hebben op de investering.

Een formulier is slechts geldig overgelegd indien:

- uit de op het formulier vermelde gegevens of uit de aan het formulier toegevoegde bijlagen voldoende blijkt dat de werkgever of de door de werkgever verrichte investering zich binnen het toepassingsgebied bevindt van paragrafen 1 tot en met 3 van respectievelijk dit artikel of artikel 275^9;

- de effectieve voltooiing van de investering heeft plaatsgevonden voor het verstrijken van de zesde maand die volgt op de op het formulier vermelde maand waarin de voltooiing van de investering wordt verwacht.