Artikel 298, WIB 92
Art. 298, § 2, derde lid, is van toepassing vanaf 07.08.2006 (art. 17, progW 20.07.2006 - B.S. 28.07.2006; Numac: 2006202312)
§ 1. Voor de belasting en voor de voorheffingen, in hoofdsom, opcentiemen en verhogingen, ten behoeve van de Staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten en de gemeenten, alsook voor de boeten, worden de kohieren opgemaakt en uitvoerbaar verklaard door de leidinggevende ambtenaar van de administratie bevoegd voor de vestiging van de belasting of door de door hem gedelegeerde ambtenaar.
§ 2. De dwangschriften worden uitgevaardigd door de ambtenaren belast met de invordering.
Deze ambtenaren moeten een aangetekende herinneringsbrief sturen ten minste één maand voordat de gerechtsdeurwaarder een bevel tot betaling opstelt, behalve indien de rechten van de Schatkist in gevaar zijn. De kosten voor het aangetekend verzenden zijn ten laste van de belastingschuldige.
Het tweede lid is niet van toepassing op de bedrijfsvoorheffing die is ingekohierd wegens het gebrek aan betaling binnen de in artikel 412 bedoelde termijn.
