Artikel 298, WIB 92

Art. 298, § 2, treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand na afloop van een termijn van tien dagen te rekenen vanaf de dag volgend op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad (01.05.2017) (art. 2 en 3, W 20.02.2017 - B.S. 15.03.2017; Numac: 2017010960)

§ 1. Voor de belasting en voor de voorheffingen, in hoofdsom, opcentiemen en verhogingen, ten behoeve van de Staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten en de gemeenten, alsook voor de boeten, worden de kohieren opgemaakt en uitvoerbaar verklaard door de leidinggevende ambtenaar van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of door de door hem gedelegeerde ambtenaar.

§ 2. De dwangschriften worden uitgevaardigd door de ambtenaren belast met de invordering.

Behalve indien de rechten van de Schatkist in het gedrang komen, kunnen de directe belastingen en de voorheffingen niet worden ingevorderd door een eerste middel van tenuitvoerlegging dan na het verstrijken van een termijn van één maand te rekenen van de derde werkdag volgend op de datum van verzending van een herinneringsbrief aan de belastingschuldige. Deze herinneringsbrief mag niet worden verzonden voor het verstrijken van een termijn van tien dagen, te rekenen van de eerste dag na het verstrijken van de wettelijke betaaltermijn voor de directe belastingen en de betreffende voorheffingen.

Vormt een middel van tenuitvoerlegging in de zin van het tweede lid, de middelen van tenuitvoerlegging bedoeld in het vijfde deel, titel III van het Gerechtelijk Wetboek en het uitvoerend beslag onder derden ingevoegd in uitvoering van artikel 300, § 1.