Artikel 34, WIB 92

Art. 34, § 1, § 2, 1° en 2°, § 3, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992 (art. 32bis, 1ste en 2de lid, WIB; art. 72, § 9, WIB; art. 32bis, 5de lid, WIB; art. 1, KB 10.04.1992 - B.S. 30.07.1992; Numac: 1992003456)

§ 1. Pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen omvatten, ongeacht de schuldenaar, de verkrijger of de benaming ervan en de wijze waarop ze worden vastgesteld en toegekend:

1° pensioenen en lijfrenten of tijdelijke renten, alsmede als zodanig geldende toelagen die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op een beroepswerkzaamheid of die het gehele of gedeeltelijke herstel van een bestendige derving van winst, bezoldigingen of baten uitmaken;

2° pensioenen, renten, kapitalen en afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten die geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van persoonlijke bijdragen van aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood als vermeld in artikel 52, 9°, en artikel 81, 1° en 2°, of door middel van werkgeversbijdragen;

3° inkomsten uit pensioensparen ingevolge artikel 117.

§ 2. Tot de inkomsten uit pensioensparen behoren:

1° spaartegoeden op een collectieve of individuele spaarrekening;

2° pensioenen, renten, kapitalen en afkoopwaarden van een spaarverzekering;

3° de volgende overdrachten:

- gedeeltelijke overdrachten van tegoeden van spaarrekeningen of van technische reserves van spaarverzekeringen;

- volledige overdrachten van tegoeden van een individuele of collectieve spaarrekening naar een spaarverzekering;

- volledige overdrachten van technische reserves betreffende een spaarverzekering naar een individuele of collectieve spaarrekening.

§ 3. Het belastbare bedrag van de in § 2, 1°, vermelde spaartegoeden is gelijk aan het bedrag dat overeenstemt met de kapitalisatie, tegen een rentevoet van 6,25 % per jaar, van het totale bedrag van de op de spaarrekening ingeschreven nettosommen die als spaaraftrek in aanmerking zijn genomen.

De Koning kan die rentevoet aanpassen ten gevolge van de wijziging van de technische voet van 4,75 %, bepaald in artikel 28, 1°, a, van het koninklijk besluit van 5 juli 1985 betreffende de levensverzekeringsactiviteit.