Artikel 34, WIB 92

Art. 34, § 1, 2°, eerste lid, d), e), en § 5, is van toepassing vanaf aanslagjaar 2015 (art. 15, 1° t/m 3°, en 72, 1ste lid, W 08.05.2014 - B.S. 28.05.2014; Numac: 2014003239 - err. B.S. 27.01.2015)

§ 1. Pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen omvatten, ongeacht de schuldenaar, de verkrijger of de benaming ervan en de wijze waarop ze worden vastgesteld en toegekend:

1° pensioenen en lijfrenten of tijdelijke renten, alsmede als zodanig geldende toelagen, die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op een beroepswerkzaamheid;

1°bis pensioenen en lijfrenten of tijdelijke renten, alsmede als zodanig geldende toelagen, die het gehele of gedeeltelijke herstel van een bestendige derving van winst, bezoldigingen of baten uitmaken.

2° kapitalen, afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten, pensioenen, aanvullende pensioenen en renten, die geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van:

a) persoonlijke bijdragen van aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood met het oog op het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden, of werkgeversbijdragen. Wat de in artikel 32, eerste lid, bedoelde bedrijfsleiders betreft die zijn tewerkgesteld buiten een arbeidsovereenkomst, moet de notie 'werkgeversbijdragen' voor de toepassing van deze bepaling worden vervangen door de notie 'bijdragen van de onderneming';

b) bijdragen en premies voor de vorming van een aanvullend pensioen als bedoeld in de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, daarin begrepen de aanvullende pensioenen die worden toegekend in uitvoering van een solidariteitstoezegging als bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de genoemde wet en de pensioenen die zijn gevormd door middel van bijdragen en premies als bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 18° en 19°;

c) bijdragen en premies voor de vorming van een aanvullend pensioen als bedoeld in de onder b vermelde wet wanneer die bijdragen zijn gedaan in het kader van een individuele voortzetting van een pensioentoezegging als bedoeld in artikel 33 van dezelfde wet;

d) bijdragen als vermeld in artikel 1451, 2°;

e) bijdragen waarvoor een gewestelijke belastingvermindering of een gewestelijk belastingkrediet werd verleend.

Onder aanvullend pensioen als bedoeld in de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid wordt verstaan het rust- en/of overlevingspensioen bij overlijden van de aangeslotene vóór of na pensionering, of de ermee overeenstemmende kapitaalswaarde, die op basis van de in een pensioenreglement of een pensioenovereenkomst bepaalde verplichte stortingen worden toegekend ter aanvulling van een krachtens een wettelijke sociale zekerheidsregeling vastgesteld pensioen;

2°bis aanvullende pensioenen voor zelfstandigen als bedoeld in titel II, hoofdstuk I, afdeling 4, van de programmawet van 24 december 2002;

3° inkomsten uit pensioensparen ingevolge artikel 145^8.

§ 2. Tot de inkomsten uit pensioensparen behoren:

1° spaartegoeden op een collectieve of individuele spaarrekening;

2° pensioenen, renten, kapitalen en afkoopwaarden van een spaarverzekering;

3° de volgende overdrachten:

- gedeeltelijke overdrachten van tegoeden van spaarrekeningen of van technische reserves van spaarverzekeringen;

- volledige overdrachten van tegoeden van een individuele of collectieve spaarrekening naar een spaarverzekering;

- volledige overdrachten van technische reserves betreffende een spaarverzekering naar een individuele of collectieve spaarrekening.

§ 3. Het belastbare bedrag van de in § 2, 1°, vermelde spaartegoeden is gelijk aan het bedrag dat overeenstemt met de kapitalisatie, tegen een rentevoet van 4,75 % per jaar, van het totale bedrag van de op de spaarrekening ingeschreven nettosommen die als belastingvermindering in aanmerking zijn genomen.

De Koning kan die rentevoet aanpassen ten gevolge van de wijziging van de technische voet van 4,75 %, bepaald in artikel 28, 1°, a, van het koninklijk besluit van 5 juli 1985 betreffende de levensverzekeringsactiviteit.

§ 4. De kapitalen die voortkomen uit een individueel levensverzekeringscontract of een spaarverzekeringscontract dat heeft gediend voor het wedersamenstellen of waarborgen van een door de verzekerde gesloten lening voor een onroerend goed, en die worden vereffend ingevolge zijn overlijden, zijn belastbaar:

1° tot het bedrag dat dient voor het wedersamenstellen of waarborgen van die lening:

- in hoofde van de personen die ingevolge het overlijden van de verzekerde de volle eigendom of het vruchtgebruik van het onroerend goed verwerven waarvoor de lening is gesloten en waarvan de verzekerde op het tijdstip van overlijden volle eigenaar was;

- in hoofde van de erfgenamen van de verzekerde in alle andere gevallen;

2° voor het eventuele saldo, in hoofde van de in het contract vermelde begunstigde.

§ 5. De afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten als bedoeld in § 1, 2°, die zijn gevormd door middel van persoonlijke bijdragen van aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood met het oog op het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden, of door bijdragen als vermeld in § 1, 2°, eerste lid, d en e, en de afkoopwaarden van een spaarverzekering als bedoeld in § 2, 2°, omvatten eveneens:

1° de afkoopwaarden bedoeld in artikel 6, derde en vierde lid, van het koninklijk besluit van 14 november 2008 tot uitvoering van de wet van 15 oktober 2008 houdende maatregelen ter bevordering van de financiële stabiliteit en inzonderheid tot instelling van een staatsgarantie voor verstrekte kredieten en andere verrichtingen in het kader van de financiële stabiliteit, voor wat betreft de bescherming van de deposito's en de levensverzekeringen, en tot wijziging van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, die worden uitbetaald door het Bijzonder Beschermingsfonds voor deposito's en levensverzekeringen opgericht door het genoemde koninklijk besluit van 14 november 2008, of door een gelijkwaardig garantiefonds gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte;

2° iedere som die door een vereffenaar of een curator wordt uitbetaald aan de verzekeringnemer wanneer is vastgesteld dat de verzekeringsonderneming in gebreke is gebleven, namelijk:

a) hetzij wanneer de verzekeringsonderneming failliet is verklaard;

b) hetzij wanneer de autoriteit die bevoegd is voor het toezicht van prudentiële aard, het Bijzonder Beschermingsfonds voor deposito's en levensverzekeringen of een gelijkwaardig Fonds ter kennis heeft gebracht dat zij vastgesteld heeft dat de financiële toestand van de verzekeringsonderneming haar ertoe geleid heeft de terugbetaling van een opeisbaar tegoed te weigeren en haar niet meer in staat stelt om een dergelijk tegoed onmiddellijk of binnen afzienbare termijn terug te betalen.