Artikel 59, WIB 92

Art. 59 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992 (art. 26, WIB; art. 27, WIB; art. 45, WIB; art. 47, WIB; art. 108bis, WIB; art. 12, W 07.12.1988; art. 1, KB 10.04.1992 - B.S. 30.07.1992; Numac: 1992003456; art. 11, W 06.07.1994 – B.S. 16.07.1994; Numac: 1994003443)

Persoonlijke, door bemiddeling van de werkgever betaalde bijdragen en werkgeversbijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood worden als beroepskosten aangemerkt op voorwaarde dat ze definitief worden gestort aan een in België gevestigde verzekeringsonderneming of instelling voor sociale voorzieningen en dat de wettelijke en extra wettelijke toekenningen naar aanleiding van de pensionering, uitgedrukt in jaarlijkse renten, niet meer bedragen dan 80 % van de laatste normale bruto jaarbezoldiging en worden berekend naar de normale duur van een beroepswerkzaamheid. Een indexering van de rente is toegelaten.

De Koning bepaalt de voorwaarden en de wijze van toepassing van deze bepaling, inzonderheid wat de voorschotten op contracten en de inpandgevingen van contracten betreft.

De beperking tot 80 % moet worden beoordeeld ten opzichte van het totale bedrag van de wettelijke pensioenen, van de op jaarbasis berekende extra wettelijke pensioenen en van de pensioenen die met werkgevers of persoonlijke bijdragen zijn gevormd of die door de werkgever ter uitvoering van een contractuele verplichting zijn toegekend. De uitkeringen op grond van individuele levensverzekeringscontracten en van pensioensparen worden niet in aanmerking genomen.

De werkgeversbijdragen worden alleen afgetrokken indien ze worden verantwoord door bewijsstukken die worden overgelegd in de vorm en binnen de termijn die de Koning bepaalt.