Artikel 59, WIB 92

Art. 59 is van toepassing op de bijdragen en premies die zijn betaald in uitvoering van individuele toezeggingen die zijn gesloten vanaf 01.01.2004 en op de andere dan de hiervoor bedoelde bijdragen en premies die zijn betaald vanaf 01.01.2004 (art. 81, W 28.04.2003 - B.S. 15.05.2003; Numac: 2003022481 – err. B.S. 26.05.2003; en art. 23, § 3, A, 3° en 4°, KB 14.11.2003 - B.S. 14.11.2003)


§ 1. De werkgeversbijdragen en -premies bedoeld in artikel 52, 3°, b, kunnen slechts als beroepskosten worden afgetrokken onder de volgende voorwaarden en binnen de volgende perken:

1° ze moeten definitief worden gestort aan een in België gevestigde verzekeringsonderneming of voorzorgsinstelling;

2° de wettelijke en bovenwettelijke uitkeringen naar aanleiding van de pensionering, uitgedrukt in jaarlijkse renten, mogen niet meer bedragen dan 80 % van de laatste normale brutojaarbezoldiging en moeten worden berekend op basis van de normale duur van een beroepswerkzaamheid;

3° de wettelijke en aanvullende uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid, uitgedrukt in jaarlijkse renten, mogen niet meer bedragen dan de normale brutojaarbezoldiging;

4° de werkgever moet de bewijsstukken overleggen in de vorm en binnen de termijnen die de Koning bepaalt.

§ 2. Een indexering van de renten bedoeld in § 1, 2° en 3°, is toegestaan.

§ 3. De begrenzingen genoemd in § 1, 2° en 3°, worden enerzijds toegepast op de bijdragen en premies die verband houden met aanvullende verzekeringen tegen ouderdom en vroegtijdige dood en met aanvullende pensioentoezeggingen en, anderzijds op de bijdragen en premies die verband houden met toezeggingen die moeten worden beschouwd als een aanvulling van de wettelijke uitkeringen bij overlijden of arbeidsongeschiktheid door arbeidsongeval of ongeval ofwel door beroepsziekte of ziekte. Voor de berekening van die begrenzingen worden de in artikel 52, 3°, b, derde streepje, bedoelde bijdragen en premies, gestort ter uitvoering van een solidariteitstoezegging, naar gelang van hun aard, omgedeeld over elk van die categorieën.

§ 4. Voor de werkgeversbijdragen en -premies die verband houden met aanvullende verzekeringen tegen ouderdom en vroegtijdige dood en met aanvullende pensioentoezeggingen, moet de begrenzing tot 80 %, bedoeld in § 1, 2°, worden beoordeeld ten opzichte van het totale bedrag van de wettelijke pensioenen en van de op jaarbasis berekende extrawettelijke pensioenen. De uitkeringen op grond van pensioensparen en van andere individuele levensverzekeringscontracten dan die welke worden gesloten ter uitvoering van een individuele aanvullende pensioentoezegging inzake een rust- en/of overlevingspensioen, worden niet in aanmerking genomen.

De extrawettelijke pensioenen omvatten inzonderheid de pensioenen:

- die met persoonlijke bijdragen als bedoeld in artikel 52, 7°bis, of in artikel 145^3 zijn gevormd;

- die met werkgeversbijdragen zijn gevormd;

- die door de werkgever ter uitvoering van een contractuele verplichting zijn toegekend.

Voor de werkgeversbijdragen en -premies die verband houden met toezeggingen die moeten worden beschouwd als een aanvulling van de wettelijke uitkeringen bij overlijden of arbeidsongeschiktheid door arbeidsongeval of ongeval ofwel door beroepsziekte of ziekte, moet de begrenzing tot de normale bruto jaarbezoldiging worden beoordeeld ten opzichte van het totale bedrag van de wettelijke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid en van de op jaarbasis berekende extrawettelijke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid.

De extrawettelijke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid omvatten inzonderheid:

- de uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid die met werkgeversbijdragen zijn gevormd;

- de uitkeringen die door de werkgever ter uitvoering van een contractuele verplichting zijn toegekend.

§ 5. De Koning bepaalt wat onder 'normale bruto jaarbezoldiging', 'laatste normale bruto jaarbezoldiging' en 'normale duur van een beroepswerkzaamheid' in de zin van § 1, 2° en 3°, moet worden verstaan.

Hij bepaalt de voorwaarden en de wijze van toepassing van deze bepaling en de modaliteiten volgens dewelke voorschotten op prestaties, inpandgevingen van pensioenrechten voor het waarborgen van een lening en de toewijzing van de afkoopwaarde aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet geen beletsel vormen voor de definitieve storting van de bijdragen en premies die in § 1, 1°, wordt geëist.