Artikel 143, WIB 92

Art. 143, 2°, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 2009 (art. 6, a, W 24.07.2008 - B.S. 07.08.2008; Numac: 2008202687)


Voor het vaststellen van het nettobedrag van de bestaansmiddelen komen niet in aanmerking:

1° wettelijke kinderbijslagen, kraamgelden en adoptiepremies, evenals studiebeurzen en premies voor het voorhuwelijkssparen;

2° inkomsten verkregen door een persoon met een handicap die in beginsel recht heeft op de tegemoetkomingen bedoeld in de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, ten belope van het maximumbedrag waarop die persoon in uitvoering van die wet recht kan hebben;

3° pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen als bedoeld in artikel 34 die zijn verkregen door in artikel 132, eerste lid, 7°, bedoelde personen, tot beloop van 14.500 euro (basisbedrag) per jaar;

4° bezoldigingen verkregen door in artikel 135, bedoelde gehandicapten ingevolge tewerkstelling in een erkende beschutte werkplaats;

5° uitkeringen of aanvullende uitkeringen tot onderhoud die ter uitvoering van een gerechtelijke beslissing, waarbij het bedrag ervan met terugwerkende kracht wordt vastgesteld of verhoogd, aan de belastingplichtige zijn betaald na het belastbare tijdperk waarop ze betrekking hebben.

6° de uitkeringen vermeld in artikel 90, 3°, die zijn toegekend aan kinderen tot beloop van 1.800 euro (basisbedrag) per jaar.

7° bezoldigingen ontvangen door studenten zoals bedoeld in titel VII van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten tot een bedrag van 1.500 euro (basisbedrag) per jaar.