Artikel 174/1, WIB 92
Art. 174/1, § 1, vijfde lid, § 2, eerste lid, a en b, derde lid (nieuw), 6de en 7de lid, § 3, eerste lid, is van toepassing op de inkomsten toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 01.01.2012 (art. 86, 1° t/m 6°, en 87, progW 22.06.2012 - B.S. 28.06.2012; Numac: 2012021092)
[met betrekking tot de roerende inkomsten toegekend of betaalbaar gesteld tussen 1 januari 2012 en de eerste dag van de tweede maand volgend op de datum van bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad, kan geen nalatigheidsinterest noch boete worden toegepast wegens laattijdige aangifte of betaling van de inhouding aan de bron van de bijkomende heffing op roerende inkomsten door de personen beoogd in artikel 174/1, § 2, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelasting 1992; bovendien worden de aangiften en betalingen van de inhouding aan de bron van de bijkomende heffing op roerende inkomsten, gedaan tussen 1 januari 2012 en de eerste dag van de tweede maand volgend op de datum van bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad, geacht rechtsgeldig te zijn uitgevoerd voor de toepassing van artikel 174/1 van het voormelde Wetboek (art. 88, 1ste lid, 2de lid, progW 22.06.2012 - B.S. 28.06.2012; Numac: 2012021092)]
§ 1. Er wordt uitsluitend in het voordeel van de Staat een bijkomende heffing op roerende inkomsten ingevoerd, gelijkgesteld met de personenbelasting, ten laste van de belastingplichtigen die interesten en dividenden ontvangen waarvan het totale netto bedrag hoger is dan 13.675 euro (basisbedrag).
Deze heffing wordt vastgelegd op 4 % van het deel van de dividenden en interesten bedoeld in artikel 17, § 1, 1° en 2°, dat het totale netto bedrag van 13.675 euro (basisbedrag) overschrijdt.
Het netto bedrag van het inkomen wordt bepaald overeenkomstig artikel 22, § 1.
De dividenden en interesten onderworpen aan een tarief van 10 of 25 % en de in artikel 171, 3°quinquies, bedoelde inkomsten uit spaardeposito's worden niet onderworpen aan deze heffing.
Om te beoordelen of de grens van 13.675 euro (basisbedrag) is overschreden, worden in eerste instantie de dividenden en interesten waarop de heffing niet van toepassing is, in aanmerking genomen. De dividenden bedoeld in artikel 171, 2°, f, moeten evenwel niet worden meegerekend.
§ 2. De volgende personen moeten aan het centraal aanspreekpunt dat door een dienst van de Federale Overheidsdienst Financiën, afgescheiden van de fiscale administraties wordt gehouden, de gegevens toezenden met betrekking tot de dividenden en interesten bedoeld in artikel 17, § 1, 1° en 2°, en met identificatie van de verkrijgers van de inkomsten:
a) wat de effecten aan toonder en de gedematerialiseerde effecten betreft, elke in België gevestigde marktdeelnemer die dividenden of interesten toekent of betaalbaar stelt in het onmiddellijk voordeel van de verkrijger, ongeacht of deze deelnemer de schuldenaar van de voormelde roerende inkomsten is of door de schuldenaar of de genieter belast is met de toekenning of betaalbaarstelling van deze inkomsten;
b) of in de andere gevallen, de personen bedoeld in artikel 261.
Wanneer de verkrijger van de inkomsten kiest voor een inhouding van de bijkomende heffing op roerende inkomsten, bovenop de roerende voorheffing, wordt het bedrag van die inkomsten niet medegedeeld aan het centraal aanspreekpunt, behalve indien de inhouding aan de bron van de bijkomende heffing niet effectief wordt gedragen door de verkrijger van de inkomsten.
De personen bedoeld in het eerste lid zijn schuldenaar van de bijkomende heffing op roerende inkomsten die aan de bron wordt ingehouden. Behalve in de gevallen bedoeld in § 3, tweede lid, moeten zij:
a) de bedoelde heffing inhouden op belastbare roerende inkomsten toegekend of betaalbaar gesteld in speciën;
b) zich op welke manier dan ook het bedrag van de bedoelde heffing op deze roerende inkomsten doen toekomen in geval van toekenning of betaalbaarstelling in de vorm van goederen in natura.
Wanneer de verkrijger van de inkomsten niet kiest voor de inhouding van bijkomende heffing op roerende inkomsten, wordt die bijkomende heffing in voorkomend geval gevestigd op het moment van de berekening van de personenbelasting op basis van de gegevens waarover de administratie beschikt, eventueel aangevuld met de bij het aanspreekpunt gemelde gegevens die niet waren aangegeven.
Het centraal aanspreekpunt zendt, wat een welbepaalde belastingplichtige betreft, de informatie die nodig is voor de juiste toepassing van dit artikel met betrekking tot de hier beoogde inkomsten, toe aan de bevoegde operationele fiscale administratie die erom verzoekt. Wanneer, met betrekking tot een belastingplichtige, het totaal van alle tijdens een jaar medegedeelde roerende inkomsten 13.675 euro (basisbedrag) overschrijdt, zendt het centraal aanspreekpunt de inlichtingen betreffende die belastingplichtige automatisch toe aan de bevoegde operationele fiscale administratie.
De Koning bepaalt de modaliteiten voor het toezenden van de informatie aan het centraal aanspreekpunt door de personen beoogd in het eerste lid en aan de operationele fiscale administraties door het centraal aanspreekpunt.
Met als enig doel het naleven van hun informatieverplichtingen, hebben de personen bedoeld in het eerste lid de toelating het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen te gebruiken om de verkrijgers van de dividenden en van de interesten te identificeren.
§ 3. De inhoudingen aan de bron van de bijkomende heffing op roerende inkomsten worden geregeld overeenkomstig de bepalingen van Titel VI, hoofdstuk I, afdeling I en afdeling III, onderafdeling III, en Titel VII die van toepassing zijn inzake roerende voorheffing behalve wanneer hiervan wordt afgeweken.
De inhouding aan de bron van de bijkomende heffing op roerende inkomsten die eventueel ten laste van de schuldenaar valt ter ontlasting van de verkrijger van het inkomen, wordt aan het bedrag van die inkomsten toegevoegd voor de berekening van de inhouding aan de bron van de heffing.
De Koning kan bijzondere regels vastleggen met betrekking tot de inhouding aan de bron van de heffing.
De bepalingen van Titel VII zijn van toepassing op de bijkomende heffing op roerende inkomsten die wordt gevestigd op het moment van de berekening van de personenbelasting behalve wanneer hiervan wordt afgeweken.
