Artikel 174/1, WIB 92

Art. 174/1, § 2 en 3, is van toepassing op de inkomsten die worden toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 01.01.2012 (art. 81, 1° en 2°, en 96, 1ste lid, progW 27.12.2012 - B.S. 31.12.2012; Numac: 2012021152)


§ 1. Er wordt uitsluitend in het voordeel van de Staat een bijkomende heffing op roerende inkomsten ingevoerd, gelijkgesteld met de personenbelasting, ten laste van de belastingplichtigen die interesten en dividenden ontvangen waarvan het totale netto bedrag hoger is dan 13.675 euro (basisbedrag).

Deze heffing wordt vastgelegd op 4 % van het deel van de dividenden en interesten bedoeld in artikel 17, § 1, 1° en 2°, dat het totale netto bedrag van 13.675 euro (basisbedrag) overschrijdt.

Het netto bedrag van het inkomen wordt bepaald overeenkomstig artikel 22, § 1.

De dividenden en interesten onderworpen aan een tarief van 10 of 25 % en de in artikel 171, 3°quinquies, bedoelde inkomsten uit spaardeposito's worden niet onderworpen aan deze heffing.

Om te beoordelen of de grens van 13.675 euro (basisbedrag) is overschreden, worden in eerste instantie de dividenden en interesten waarop de heffing niet van toepassing is, in aanmerking genomen. De dividenden bedoeld in artikel 171, 2°, f, moeten evenwel niet worden meegerekend.

§ 2. De bijkomende heffing op roerende inkomsten die aan de bron wordt ingehouden is verschuldigd door:

a) wat de effecten aan toonder en de gedematerialiseerde effecten betreft, elke in België gevestigde marktdeelnemer die dividenden of interesten toekent of betaalbaar stelt in het onmiddellijk voordeel van de verkrijger, ongeacht of deze deelnemer de schuldenaar van de voormelde roerende inkomsten is of door de schuldenaar of de genieter belast is met de toekenning of betaalbaarstelling van deze inkomsten;

b) of in de andere gevallen, de personen bedoeld in artikel 261.

De verkrijger van de inkomsten kan kiezen voor een inhouding van de bijkomende heffing op roerende inkomsten, bovenop de roerende voorheffing.

Behalve in de gevallen bedoeld in § 3, tweede lid, moeten de in het eerste lid bedoelde personen:

a) de bedoelde heffing inhouden op belastbare roerende inkomsten toegekend of betaalbaar gesteld in speciën;

b) zich op welke manier dan ook het bedrag van de bedoelde heffing op deze roerende inkomsten doen toekomen in geval van toekenning of betaalbaarstelling in de vorm van goederen in natura.

Wanneer de verkrijger van de inkomsten niet kiest voor de inhouding van bijkomende heffing op roerende inkomsten, wordt die bijkomende heffing in voorkomend geval gevestigd op het moment van de berekening van de personenbelasting op basis van de gegevens waarover de administratie beschikt.

§ 3. De inhoudingen aan de bron van de bijkomende heffing op roerende inkomsten worden geregeld overeenkomstig de bepalingen van Titel VI, hoofdstuk I, afdeling I en afdeling III, onderafdeling III, en Titel VII die van toepassing zijn inzake roerende voorheffing behalve wanneer hiervan wordt afgeweken.

De inhouding aan de bron van de bijkomende heffing op roerende inkomsten die eventueel ten laste van de schuldenaar valt ter ontlasting van de verkrijger van het inkomen, wordt aan het bedrag van die inkomsten toegevoegd voor de berekening van de inhouding aan de bron van de heffing.

De Koning kan bijzondere regels vastleggen met betrekking tot de inhouding aan de bron van de heffing.

De bepalingen van Titel VII zijn van toepassing op de bijkomende heffing op roerende inkomsten die wordt gevestigd op het moment van de berekening van de personenbelasting behalve wanneer hiervan wordt afgeweken.

De verkrijgers van dividenden en interesten die afzonderlijk belastbaar zijn aan een aanslagvoet van 21 % mogen tot 31 december 2012 aan de in § 2, eerste lid, bedoelde schuldenaars van de bijkomende heffing vragen om de bijkomende heffing op roerende inkomsten van 4 % op deze inkomsten in te houden en aan de Schatkist door te storten. De doorstorting moet ten laatste tegen 31 maart 2013 gebeuren.

Wanneer een verkrijger van dividenden en intresten die afzonderlijk belastbaar zijn aan een aanslagvoet van 21 % heeft geopteerd voor de inhouding van de bijkomende heffing van 4 % en de schuldenaar van die heffing het bedrag aan de Schatkist heeft gestort, kan de verkrijger de teruggave van deze inhouding enkel verkrijgen door al zijn dividenden andere dan die bedoeld in artikel 171, 2°, f, en al zijn intresten andere dan die bedoeld in artikel 534 in zijn aangifte in de personenbelasting voor het aanslagjaar 2013 te vermelden met het oog op de verrekening van dit bedrag bij het vestigen van de personenbelasting en de eventuele terugbetaling ervan te bekomen.