Artikel 18, WIB 92
Art. 18, eerste lid, 3° en 4°, is van toepassing op de aandelen uitgeleend vanaf 14.04.1999 (art. 44 en 61, W 10.03.1999 - B.S. 14.04.1999; Numac: 1999003142)
Dividenden omvatten:
1° alle voordelen toegekend door een vennootschap aan aandelen en winstbewijzen hoe ook genaamd, uit welken hoofde en op welke wijze ook verkregen;
2° gehele of gedeeltelijke terugbetalingen van maatschappelijk kapitaal, met uitzondering van terugbetalingen van gestort kapitaal verkregen ter uitvoering van een regelmatige beslissing tot vermindering van het maatschappelijk kapitaal, overeenkomstig de voorschriften van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen;
2°bis gehele of gedeeltelijke terugbetalingen van uitgiftepremies, onder dezelfde voorwaarde en in dezelfde mate als de terugbetalingen van maatschappelijk kapitaal;
3° de vergoedingen voor ontbrekende coupon van aandelen die toegelaten zijn tot verhandeling op een gereglementeerde markt zoals bedoeld in de richtlijn 93/221/EEG betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten of op een gereglementeerde markt van een niet-Lid-Staat van de Europese Gemeenschap waarvan de wetgeving minstens in gelijkwaardige toelatingsvoorwaarden voorziet, wanneer deze vergoedingen worden verleend of toegekend naar aanleiding van een lening van deze aandelen, ter vervanging van dividenden die er verband mee houden;
4° interest van voorschotten wanneer één van volgende grenzen wordt overschreden en in de mate van die overschrijding:
- ofwel de in artikel 55 gestelde grens,
- ofwel wanneer het totaal bedrag van de rentegevende voorschotten hoger is dan de som van de belaste reserves bij het begin van het belastbare tijdperk en het gestort kapitaal bij het einde van dit tijdperk.
Als voorschot wordt beschouwd, elke al dan niet door effecten vertegenwoordigde geldlening verstrekt door een natuurlijk persoon aan een vennootschap waarvan hij aandelen bezit of door een persoon aan een vennootschap waarin hij een opdracht of functies als vermeld in artikel 32, eerste lid, 1°, uitoefent, alsmede in voorkomend geval, elke geldlening verstrekt aan die vennootschap, door hun echtgenoot of hun kinderen wanneer die personen of hun echtgenoot het wettelijk genot van de inkomsten van die kinderen hebben, met uitzondering van:
1° obligaties en andere gelijksoortige effecten uitgegeven door een openbaar beroep op het spaarwezen;
2° geldleningen aan coöperatieve vennootschappen die door de Nationale Raad van de Coöperatie zijn erkend;
3° geldleningen verstrekt door in artikel 179 vermelde vennootschappen.
De dividenden omvatten niet de inkomsten bedoeld in artikel 19, § 1, 4°.
