Artikel 198, WIB 92

Art. 198, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, en 7°, is van toepassing vanaf aanslagjaar 1992 (art. 109, 1°, 2° ten dele, 3°, 4°, WIB; art. 21, W 07.12.1998; art. 12, W 22.02.1990; art. 1, KB 10.04.1992 - B.S. 30.07.1992; Numac: 1992003456; en art. 28 en 91, 2de lid, W 06.07.1994 - B.S. 16.07.1994; Numac: 1994003443)

Art. 198, eerste lid, 5°, is opgeheven vanaf aanslagjaar 1992 (art. 23 en 80, § 1, W 22.12.1998 - B.S. 15.01.1999; Numac: 1998003665)


Als beroepskosten worden niet aangemerkt:

1° de vennootschapsbelasting, met uitzondering van de ingevolge artikel 219 verschuldigde bijzondere afzonderlijke aanslag op niet verantwoorde kosten, doch met inbegrip van de in mindering van de vennootschapsbelasting gestorte sommen, en de roerende voorheffing die de schuldenaar van het inkomen met miskenning van artikel 261, tot ontlasting van de verkrijger heeft gedragen;

2° de onroerende voorheffing en de desbetreffende opcentiemen tot een bedrag dat gelijk is aan 12,5 % van het kadastraal inkomen van de onroerende goederen;

3° verhogingen, vermeerderingen, kosten en nalatigheidsinteresten met betrekking tot de vennootschapsbelasting en de voorheffingen;

4° 50 % van de jaarlijkse taks op de winstdeelnemingen vermeld in artikel 183bis van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen;

5° (...);

6° de bijzondere taks op kasbons in het bezit van de financiële tussenpersonen, bedoeld in de artikelen 201/3 tot 201/9 van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen;

7° waardeverminderingen en minderwaarden op aandelen, behoudens minderwaarden op aandelen geleden naar aanleiding van de gehele verdeling van het maatschappelijk vermogen van een vennootschap tot ten hoogste het verlies aan gestorte kapitaal dat door die aandelen wordt vertegenwoordigd.