Artikel 198, WIB 92
Art. 198, eerste lid, 10°, is van toepassing vanaf aanslagjaar 1996 (art. 11 en 28, 1ste lid, W 20.12.1995 - B.S. 23.12.1995; Numac: 1995021463)
Als beroepskosten worden niet aangemerkt:
1° de vennootschapsbelasting, met uitzondering van de ingevolge artikel 219 verschuldigde bijzondere afzonderlijke aanslag op niet verantwoorde kosten, doch met inbegrip van de in mindering van de vennootschapsbelasting gestorte sommen, en de roerende voorheffing die de schuldenaar van het inkomen met miskenning van artikel 261, tot ontlasting van de verkrijger heeft gedragen;
2° (...);
3° verhogingen, vermeerderingen, kosten en nalatigheidsinteresten met betrekking tot de vennootschaps- belasting en de voorheffingen, met uitzondering van de onroerende voorheffing;
4° de jaarlijkse taks op de winstdeelnemingen vermeld in artikel 183bis van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen;
5° (...);
6° de bijzondere taks op kasbons in het bezit van de financiële tussenpersonen, bedoeld in de artikelen 201/3 tot 201/9 van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen;
7° waardeverminderingen en minderwaarden op aandelen, behoudens minderwaarden op aandelen geleden naar aanleiding van de gehele verdeling van het maatschappelijk vermogen van een vennootschap tot ten hoogste het verlies aan gestorte kapitaal dat door die aandelen wordt vertegenwoordigd;
8° de uitzonderlijke taks op de stortingen bestemd voor het lange termijnsparen vermeld in artikel 183duodecies van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen;
9° de bijzondere taks op de gereserveerde winsten van bepaalde kredietinstellingen bedoeld in artikel 1 van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen;
10° onverminderd de toepassing van artikel 55, de interest, tot een bedrag gelijk aan dat van de krachtens de artikelen 202 tot 204 aftrekbare dividenden verkregen uit aandelen door een vennootschap welke die aandelen, op het ogenblik van hun overdracht, niet gedurende een ononderbroken periode van minstens een jaar heeft behouden.
Het eerste lid, 10, is evenwel niet van toepassing op de aandelen in verbonden vennootschappen of in vennootschappen waarmee een deelnemingsverhouding bestaat, zelfs al hebben die aandelen de aard van geldbeleggingen, noch op de andere aandelen die onder de financiële vaste activa zijn opgenomen.
